-
2e
zondag door het jaar – 14/15 januari 2011
1 Samuel
3,3b-10.19 ; Psalm 40,2.4.7-10 ; 1 Korinthiërs
6,13c-15a.17-20 ; Johannes 1,35-42
Ontmoetingen
Als wij op
donderdag met de kleinkinderen gaan wandelen, gaan we wel eens naar
het station om naar de treinen te gaan kijken. De kleinkinderen vinden
het prachtig. En u weet het allemaal: wat gebeurt er telkens weer als
je de stad in gaat en gaat wandelen? Je komt gegarandeerd iemand
tegen. Soms kom je wel eens zoveel bekenden tegen dat je het einddoel
van je wandeling niet meer haalt. De ene keer is het een oude
buurvrouw die je al vijf jaar niet meer hebt gezien. Een andere keer
een ex-collega die je vertelt dat het op het werk niet meer zo leuk is
als vroeger. Soms zijn het de kleinkinderen zelf, die kindjes en
bijbehorende moeders herkennen van de crèche.
Ook de
Kersttijd en de dagen rond Nieuwjaar vormen een mooie tijd voor
ontmoetingen. Een mooie tijd voor familie-reünies, voor
Nieuwjaarsrecepties, en om elkaar op te zoeken om elkaar een zalig
Nieuwjaar toe te wensen.
Wie thuis
blijft zitten, zal niet veel medemensen ontmoeten. Je kunt dus op stap
gaan met een bepaald doel, om ergens naar toe te gaan, maar je kunt je
ook laten verrassen. Want er zijn ook mooie ontmoetingen ‘in het
voorbijgaan’, door wat wij noemen ‘heilig
toeval’.
Van de ene
kant heb je dus de zoekers. Die gaan op stap met een doel, heel bewust
ergens naar toe, ze precies weten waar ze naar toe gaan. Zoekers. De
Drie Wijzen uit het Oosten, die precies weten welke ster ze moeten
volgen en welke niet, ze weten precies waar ze naar toe gaan, en ze
weten ook precies waarom: “om de pasgeboren koning te eren”. Zoekers,
dat zijn ook al die mensen die toestromen bij Johannes de Doper. Ze
weten precies waar ze moeten zijn: bij Johannes, die ruige profeet,
die niet uitziet, daar aan de Jordaan in Transjordanië, maar die wél
inspireert et authentiek is.
Van de
andere kant heb je de toevallige ontmoetingen, ‘in het voorbijgaan’.
Johannes staat aan de Jordaan met twee van zijn leerlingen, als
‘toevallig’ Jezus voorbijkomt, Johannes Hem ‘toevallig’ ziet en naar
Hem wijst en zegt “Zie het Lam Gods”. Onmiddellijk gaan de leerlingen
Jezus achterna. Heilig toeval. Als ze een half uur later waren
gekomen, was het allemaal niet gebeurd. Jezus kwam ‘toevallig’
voorbij.
Toevallig. Zoals wij dat ook regelmatig horen van koppeltjes
die zich op het huwelijk voorbereiden. Als je hen vraagt: hoe hebben
jullie elkaar ontmoet? Hoe vaak hoor je dan niet: toevallig... in een
café, bij een feestje, bij gezamenlijke vrienden ... stom toeval? Nee,
‘heilig’ toeval.
En dan wordt
een toevallige ontmoeting een omgekeerd roepingsverhaal. Normaliter is
het zo dat Jézus mensen
roept. “Volg mij”, zegt Hij dan altijd. Hier is het omgekeerd, het
zijn Andreas en zijn vriend die spontaan Jezus gaan volgen. Zij namen
het initiatief. Andreas en zijn vriend zijn zoekers. En zij vinden
uiteindelijk wat zij zoeken. Nee, niet omdat ze zo slim zijn, nee,
niet omdat ze tevoren al wisten waar ze naar toe moesten gaan. Nee,
een toevallige ontmoeting. Jezus kwam daar toevallig
langs.
De zoekers
vinden. Zoeken heeft alles met vinden te maken. Wie zoekt zal vinden.
Het gaat vandaag dus uitdrukkelijk over zoeken en vinden. “Wat zoeken
jullie?”, vraagt Jezus aan de twee. Ons lezingenboek heeft het weer
eens slecht vertaald. Wij lazen zojuist: “Wat verlangt gij?”. Maar dat
staat er niet in de oorspronkelijke tekst. Daar staat: “Wat zoeken
jullie?” En ze vinden. Allereerst is het Andreas, die zijn broer Simon
vindt. Alweer een slechte
vertaling! Wij lazen zojuist in het lezingenboek: ‘De eerste die hij
ontmoette was zijn broer Simon’ – maar er staat niet ‘ontmoette’, er
staat letterlijk in de oorspronkelijke Evangelietekst: ‘Hij vindt allereerst zijn eigen
broer Simon’ (v. 41). Hij vindt! Vinden is iets anders dan toevallig
ontmoeten, vinden gaat over iets dat je aan het zoeken bent, en
waarvan je blij bent dat je het gevonden hebt. Andreas vindt zijn
broer Simon, en kan het hem nu zeggen: “Wij hebben de Messias
gevonden”. Gevonden. Dank zij een zoekproces ... én een toevallige
ontmoeting.
Het is u
vast en zeker ook opgevallen dat de plek waar Jezus zich ophoudt in de
Evangelielezing van vandaag niet wordt genoemd of aangegeven. Dat is
weer eens één van die geheimpjes van symboliek die zo typerend zijn
voor de evangelist Johannes. De plek bestaat namelijk niet, het is een
‘utopia’, een niet bestaande plaats. Wij zeggen een ‘utopie’. Jezus
blijft, verblijft, niet. Hij heeft geen vast adres. Hij is altijd
onderweg, altijd in beweging. Hij is overal en nergens. Want als je
thuis blijft zitten ontmoet je niemand, en dan vind je ook niet. En
wat is ons leven anders dan ontmoetingen? Ja, wat is ons leven anders
dan ontmoetingen?
Régis de la
Haye,
diaken
-
-
Stefanus – 26
december
-
-
Stefanus
2011
-
-
-
In Kirkuk, Mossul en Bagdad, de grote steden in Irak waar nog
altijd christenen wonen, is er dit jaar met Kerstmis géén nachtmis
geweest. Sinds de moord op een christelijk echtpaar, vorige week, voor
de ogen van hun eigen kinderen, sinds de recente aanslagen tegen
christengelovigen, en zeker sinds het vertrek van de laatste
Amerikaanse soldaten, is de situatie voor de christenen in Irak zo
dreigend geworden, dat mgr.
Louis Sako, de chaldeeuwse aartsbisschop van de Noord-Irakese stad
Kirkuk, heeft besloten, uit veiligheidoverweging, om met
Kerstmis geen nachtmis te vieren. Ook de pauselijke nuntius in Irak,
mgr. Giorgio Lingua, heeft opgeroepen tot de grootste voorzichtigheid.
Zo dramatisch dreigend is de situatie in dat land. Christenen in Irak
riskeren iedere dag hun leven, om het simpele feit dat ze christen
zijn. In Kirkuk, Mossul en Bagdad is dus
met Kerstmis geen nachtmis
geweest.
-
-
-
En
gisteren, precies op Kerstdag, een anti-christelijke aanslag in
Nigeria met zeker 40 doden.
-
-
-
Het is vandaag dus geen Tweede Kerstdag. Van de feestvreugde
van het Kerstfeest, van het stralende licht van de Blijde Boodschap
van Kerstmis, gaan wij naadloos over tot de orde van de dag, tot de
grauwe werkelijkheid. Na het licht van Kerstmis, zien wij donkere
wolken die zich samenpakken boven onze medechristenen in het
Midden-Oosten. Nee, niet overal in de wereld wordt Kerstmis gevierd
als een gezellig familiefeest. In heel wat delen van de wereld is het
gevaarlijk, soms zelfs onmogelijk om in vrijheid zijn geloof te
belijden.
-
-
-
Het is vandaag dus geen Tweede Kerstdag, wij gaan over tot de
grauwe werkelijkheid van het verhaal van Stefanus, één van de eerste
zeven diakens, maar vooral de eerste martelaar. Voor het vieren van de
Kerstvreugde heeft de kerk de paarse boetegewaden van de Advent
afgelegd en zich bekleed met de witte gewaden van het licht. Maar
vandaag is het rood, kleur van het bloed. Stefanus’ verhaal heeft
niets te maken met Kerstmis. Geen gezelligheid, geen cadeautjes, geen
Boxing Day, geen romantiek. Zijn verhaal heeft alles te maken met het
lijdensverhaal van Jezus, het loopt er zelfs parallel
mee.
-
– “Vader,
vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen”, zo bad Jezus aan het
kruis. – “Heer, reken hun deze zonde niet aan”, zo bidt Stefanus
vandaag.
-
– “Vader, in
Uw handen beveel ik mijn Geest”, riep Jezus uit. – “Heer Jezus,
ontvang mijn geest”, zo bidt Stefanus
vandaag.
-
Met Stefanus begint de ‘navolging van
Christus’.
-
-
-
Stefanus’ verhaal heeft niets te maken met Kerstmis, zei ik u
zojuist. Of misschien toch wel? Want Kerstmis is ‘incarnatie’,
‘menswording’. En dat betekent dat God mens wordt, anders gezegd het
levenslot deelt van ons, mensen. En welk een levenslot? Nee, geen
zondagskind is Hij, nee, niet een belangrijk iemand. Maar Hij is
geboren in armoedige omstandigheden, in een uithoek van het grote
Romeinse wereldrijk, en Hij moet in Zijn lijf beleven alles wat een
mens kan beleven, tot en met het ergste, foltering, executie en dood.
En dat gedenken wij iedere dag, iedere dag die God ons geeft, in de
Eucharistie, tegenwoordigstelling van Zijn lijden en dood.
-
-
-
En daarmee is Stefanus de leerling van Zijn
meester. Ook hij moest in zijn lijf beleven alles wat een mens kan
beleven, tot en met het ergste, foltering, executie en dood. Met hem
begint de ‘navolging van Christus’.
-
-
Régis de la
Haye, diaken
-
B - 1e zondag van de
Advent
-
Wachten
-
-
-
Een paar weken geleden moest ik op het station in
Luik een half uur wachten op de trein. Een prachtige moderne
constructie, dat nieuwe station Luik-Guillemins, maar van de architect
mochten er op de perrons geen banken komen, want dat zou zijn
kunstwerk tezeer verstoren. En als je niet kunt zitten, en dan nog een
half uur op de trein moet wachten, dan is het net alsof de tijd langer
duurt dan normaal. Het is een rare gewaarwording: een half uur op de
trein wachten duurt in mijn beleving dan langer dan een half uur lezen
of een half uur werken. Ja, de tijd duurt langer als je ergens op moet
wachten.
-
-
Maar wanneer
u de auto naar de garage brengt, en de monteur zegt dat u erop kunt
wachten, dan betekent het dat het snel gaat, dat het zo voorbij is,
dat het maar kort is. “U kunt erop wachten”, zegt de garagehouder dan.
’t Is zo gebeurd. Ja, dan gaat een half uur wachten veel sneller
voorbij.
-
-
-
En die auto, die komt wel klaar. En die trein, die
komt in ieder geval, meestal redelijk op tijd. Maar wachten duurt veel
langer, als je niet weet hoelang je moet wachten. Als je tegen iemand
zegt: “Daar kunt je lang op wachten ....”, dan betekent dat, vertaald
in goed Nederlands, “reken er maar niet op, dat gebeurt nooit”.
-
-
-
Je kunt lang wachten, als je niet weet wanneer de
Heer komt. We hebben het de laatste weken al meermalen gehoord. Die
Koning die altijd op reis is, die God die altijd afwezig is, die
Bruidegom die maar niet komt en zo oneindig lang weg blijft, die Heer
die ons zijn talenten heeft gegeven en op reis gaat, en wij maar
woekeren met die talenten, maar zonder weten wanneer en hoe lang nog
... wachten, wachten en wachten, en er gebeurt niets. En dan val je in
slaap, zoals die bruidsmeisjes, en dan stop je dat talent maar in de
grond en doe je niets, want hij laat toch niet van zich horen. Dan is
wachten: leegte, leegte die niet gevuld wordt. Dan is wachten:
verveling, wachten tot de tijd voorbijgaat.
-
-
-
Ook de heer van wie vandaag in het Evangelie
sprake is, is afwezig. Maar hij heeft zijn dienaren wél het beheer
overgedragen, en hij heeft de portier bevolen waakzaam te zijn. Hij
heeft zijn mensen dus, voor de tijd dat hij afwezig is, opdrachten
meegegeven, een taak gegeven. Want de heer weet het: de tijd van
wachten moet gevuld worden. Hoe actiever men bezig is, hoe sneller de
tijd voorbijgaat.
-
-
De Advent is een tijd van wachten. Niet wachten
zoals ik op de trein wacht, niet zoals ik op de bus wacht, maar
zodanig wachten dat de tijd zo snel mogelijk voorbij gaat. Dat
betekent: actief wachten, bezig blijven. Dan vliegt de tijd voorbij.
Dit ‘wachten’ is vooral: ‘verwachten’. Ergens naar uitzien. Weten
waarop men wacht.
-
-
-
In deze sterke tijd van de Advent stelt de
liturgie van de kerk ons drie personen tot voorbeeld, drie grote
wachters, die groet verwachters:
-
– Jesaja, de profeet, die
zijn volk dat in duisternis zat, een lichtende toekomst moest
aankondigen;
-
– Johannes de Doper, wiens taak het was de komst
van de lang verwachte Messias te beloven;
-
– en Maria, de moeder die
in verwachting is.
-
Drie wachters, die in vertrouwen ergens naar
uitzien. Drie wachters, die leven vanuit een verwachting. Ze weten
waar ze naar uitzien.
-
-
En de tijd van wachten duurt niet lang, zolang
men maar bezig blijft voor de naaste, Jesaja om zijn volk op te
beuren, Johannes om de mensen aan te sporen tot bekering en ommekeer
van leven, en Maria, die nu ook in verwachting is, en bezig blijft met
goed te doen aan haar medemens, haar nicht Elisabeth helpen in haar
huis.
-
-
-
Wachten duurt niet lang als je bezig blijft. En
hoe kunnen we het beste bezig blijven? Door iets goeds te doen voor de
ander. Zo blijven we wakker, waakzaam. Zo zal de Heer ons graag
aantreffen wanneer hij komt.
-
-
-
Régis de la Haye, diaken
-
A - zondag 27 - 1/2
oktober 2011
Jes
5,1-7; Fil 4,6-9; Mt 21,33-43
Wij zijn de
beheerders
Afgelopen week, tijdens een les op het seminarie
Rolduc, kwam naar een of andere aanleiding Gods almacht en de
menselijke vrije wil ter sprake. De seminaristen in mijn klas waren
enigszins verbaasd en verrast, toen ik zei dat God niet almachtig is.
God is niet almachtig, want Hij heeft de mens geschapen met een vrije
wil, en de mens kan dus ja zeggen of nee, hij kan de keuze maken naar
links te gaan of naar rechts, hij kan in een bepaalde situatie kiezen
tussen goed en kwaad, tussen een goede oplossing of een slechte
oplossing, hij kan kiezen tussen eigenbelang of het belang van de
naaste. De mens is niet gepredestineerd, geen marionet die door God
met touwtjes wordt bediend. Wij zijn als mensen door God geschapen als
vrije wezens, met een vrije wil, en een eigen verantwoordelijkheid.
Met andere woorden, wanneer ik, vanuit mijn vrije wil een bepaalde
keuze maak, dan handel ik zoals ik verkies, en zal en kan God dat niet
verhinderen. Met andere woorden: God is niet almachtig, de mens heeft
een vrije wil.
We hebben het de laatste twee weken al een paar
keer gehoord. Wil ook jij gaan werken in mijn wijngaard? Ja graag,
zeiden de arbeiders van het elfde uur. Wil ook jij gaan werken in mijn
wijngaard, vroeg de vader aan zijn beide zonen. Ja, zei de een, en hij
ging niet. Nee, zei de andere, en hij ging toch. De vader liet ze
beiden vrij, om in vrijheid hun antwoord te geven, ja of nee. Wil jij
niet? Ook goed, jouw keuze.
Vandaag alweer een verhaal over een wijngaard. Het
gaat over pachters, over beheerders van een wijngaard. Onafhankelijke
ondernemers, die zelf mogen bepalen hoe ze de wijngaard beheren.
De pachters van de wijngaard hebben in vrijheid,
vanuit hun vrije wil, hun keuzes gemaakt. Ze doen precies wat ze
willen. Ze gebruiken het hun toevertrouwde goed voor eigen doeleinden,
voor eigen nut, voor zichzelf. Ook al stuurt de heer van de wijngaard
dienaren, ook al stuurt hij zelfs zijn eigen zoon, wanneer de
beheerders, de pachters, weigeren, is hij totaal onmachtig, hij kan
niets, de pachters eigenen zich zelfs de wijngaard toe. De heer van de
wijngaard is machteloos.
Ook wij zijn pachters, beheerders. Ook wij hebben
een wijngaard te beheren gekregen, onze aarde, onze wereld, onze
samenleving, onze bedrijven, onze scholen, onze parochies, onze
gezinnen. En ook wij hebben een vrije wil gekregen, om zelf, uit vrije
wil, keuzes te maken. En vanuit die vrije wil geven wij vorm aan onze
samenleving, vanuit die vrije wil maken wij politieke en economische
keuzes. Wij, beheerders, pachters, wij moeten ervoor zorgen dat de
wijngaard geen wrange vruchten voortbrengt, of, zoals de profeet het
zojuist zei, geen onrecht maar recht, betrachting van recht en geen
verkrachting van recht. Dat is onze vrijheid, en daar is Gods almacht
machteloos.
Eindigt het verhaal dan in vrijheid-blijheid? Nee,
want ooit ... ooit komt er een moment van afrekening. Ook al lijkt het
meestal dat die heer, die ons onze vrije wil heeft gegeven, niet van
zich laat horen en ver weg op reis is, afwezig, er zal toch een keer
rekenschap moeten worden afgelegd. Wanneer wij slechte pachters zijn
van de wijngaard, omdat wij geen onderhoud hebben gepleegd, niet op
tijd gesnoeid, dan raakt de wijngaard verwilderd, en geeft hij slechte
druiven, zure wijn. Wanneer wij slechte beheerders van ons leefmilieu
blijken te zijn, dan krijgen wij onvermijdelijk een milieu-probleem.
Wanneer wij slechte beheerders blijken van onze gezinnen, dan dragen
de kinderen straks de gevolgen van de opvoeding die ze hebben gekregen
(of niet hebben gekregen). Wanneer wij slechte beheerders blijken van
onze economie, en al te hoge schulden hebben opgebouwd, dan zullen we
daar een keer de rente voor moeten betalen (en die rekening wordt ons
nu al gepresenteerd, we voelen het nu al in de portemonnee).
Pachters zijn wij, rentmeesters van een groot goed
dat ons is toevertrouwd. En dat wij in totale vrijheid mogen beheren.
En vanuit de vrijheid die God ons heeft gegeven, mogen wij delen in
Gods almacht. Sinds God Zijn almacht met ons heeft gedeeld, is Hij
niet meer helemaal almachtig.
Régis de la
Haye, diaken
terug naar de
homepage
|