preken
 
... zie ook de Internet-site: www.preken.nl ... voor preken uit andere kerken ...

C – 21e zondag – 21/22 augustus 2010
Jesaja 66,18-21; Hebreeën 12,5-7.11-13; Lucas 13,22-30
 
Vragen zonder antwoord
 
We lopen in ons leven regelmatig tegen vragen aan, waarop geen antwoord is. Het zijn altijd levensvragen. Vragen over belangrijke zaken. Vragen over het leven, over leven en dood, over het bestaan, over de zin van de dingen, over het doel van ons bestaan, van ons leven. Vragen over het ‘waarom’ van de dingen. Vragen over dingen die gebeuren. Waarom overkomt mij dit ? Doe ik het wel goed?
Allemaal vragen zonder antwoord. Waarom krijgt de een met 40 jaar kanker en wordt een ander zonder gezondheidsproblemen 100? Waarom gaat het sommige mensen goed, en hebben anderen alsmaar tegenslag? En mijn schoonmoeder die zich na haar hersenbloeding in haar heldere momenten afvraagt: Waarom overkomt mij dit? Ik heb toch niks fout gedaan? Vragen zonder antwoord.

Het is heel opmerkelijk dat Jezus, op de vraag in de Evangelielezing van vandaag: “Heer, zijn het er weinig die gered worden?”, geen antwoord geeft. Met andere woorden: wie zal straks toegang krijgen tot het Koninkrijk der Hemelen? Wie zal straks de eeuwige heerlijkheid binnen mogen gaan? Jezus geeft geen antwoord!

We krijgen dus geen antwoord. Waarom niet? Ik denk dat het is, omdat het een vraag over de toekomst is, bedoeld om mensen al vooráf te rechtvaardigen, vooráf te voorspellen wat er zal gebeuren, als was het een horoscoop.

Wél worden we van die niet te beantwoorden vraag teruggezonden naar ons leven hier en nu. “Spant u tot het uiterste in”.... Het is een aansporing, geen antwoord. Daarmee weten we het nog niet.
Span je in, het komt je niet aangevlogen, het gaat niet vanzelf, het is niet automatisch. Span je in, je zult het zelf moeten doen. De deur is nauw, en bovendien, hij zou wel eens gesloten kunnen zijn. Het gaat niet altijd gemakkelijk. Overschat je niet. De deur gaat op slot. Het zou wel eens anders kunnen uitpakken dan jij denkt. Wie binnen meent te zijn, staat misschien buiten. En kom niet te laat.

Met andere woorden: vraag niet aan mij of je gered zal worden, je zult het zelf moeten maken. Ik bepaal het niet, het ligt aan jezelf.

En dan zou het wel eens zo kunnen zijn dat sommigen, waarvan wij denken ‘die komt zeker in de hemel’, voor een gesloten deur komen te staan, en dat mensen die wij niet zo kunnen waarderen, wellicht veel meer waard zijn dan wij wel eens kunnen denken.
Ja, wat wij, mensen, heel goed kunnen, dat is: categorieën aanbrengen, groepen formeren, de gelederen sluiten en anderen buiten houden. Duidelijk aangeven wie er wél en wie er níét bijhoort. Het volk Israël heeft dat ook, zegt de profeet Jesaja vandaag in de eerst lezing. Wat wil je? Als je hét uitverkoren volk bent, dan zijn alle andere volkeren dus níét uitverkoren. Dan verdeel je de wereld in tweeën: Israël en de “goïem”, dat wil zeggen: “de volkeren”, de niet-uitverkorenen, zij die er niet bijhoren. “En ook uit de volkeren zal Ik Mijn priesters en levieten kiezen”, laat Jesaja zijn God vandaag zeggen. Met andere woorden: degenen die er niet bij horen, die krijgen het!

Echt wijzer worden we dus niet vandaag, wanneer we de vraag stellen wie het Koninkrijk der Hemelen ten deel zal vallen.
Want enerzijds krijgen we een weinig bemoedigend verhaal over een nauwe deur, over een gesloten deur, over mensen die buiten blijven, over mensen die kloppen en er wordt niet opengedaan – dat zijn misschien de mensen waarvan wij denken: bij hun zit het wel goed –
anderzijds staat er iets over massa’s mensen die aanzitten aan het gastmaal van het Koninkrijk van God, “uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden”, met “Abraham, Isaak, Jakob en al de profeten”.

“Heer, zijn het er weinig die gered worden?” Op die vraag krijgen we geen antwoord. Want als de vraag is : ‘kom ik wel in de hemel ?’, dan is die vraag verkeerd gesteld. De vraag moet ik namelijk aan mezelf stellen : ‘hoe heb ik geleefd ? Heb ik mijn best gedaan ?’ Het antwoord moeten wij zelf geven, nu en hier.
 
Régis de la Haye, diaken
 
C - 15 augustus - Maria Tenhemelopneming
 
Mariapreek 15 augustus
 
Maria wordt vandaag in de bloemetjes gezet en niet zo zuinig. Zelfs in tijden van religieuze krenterigheid, kijken we niet op één bloemetje. Er komen zelfs kruiden aan te pas. We zeggen wel ‘daar is geen kruid tegen gewassen’, maar voor Maria geldt dat niet. Want je kunt bij haar met alles terecht. Een kruidenmedicijn is op zichtzelf niet voldoende, maar als er zeven kruiden in zitten dan begint het ergens op te lijken
    We zetten haar dus tussen kruiden en bloemen en het ruikt er lekker. Heel aards, zelfs frivool, want ik heb er de oude gezangen op nageslagen. Die gezangen zijn ontleend aan het Hooglied, dat enige bijbelboek waar het alleen maar gaat over de aantrekkingskracht tussen twee geliefden, bruidegom en bruid. Zo staat het er : ‘we lopen en worden aangetrokken door de geur van de gezalfden’.
    Het lijkt of Maria het allemaal maar over zich heen laat komen: éénmaal per jaar. Want de andere 364 dagen hangen we al onze zorgen om haar nek en bestoken we haar met onze lasten.
    Want laten we wel wezen: behalve bij Elisabeth wordt Maria in de heilige Schrift nauwelijks geprezen. Ze wordt bijna altijd naar het tweede plan geschoven of met nieuwe opdrachten opgezadeld. Bij de bruiloft van Kana krijgt ze als antwoord : ‘vrouw, mijn tijd is nog niet gekomen’’. En eerder al had ze Hem gezocht : ‘wist je dan niet dat ik bij de dingen van mijn Vader moet zijn…’ En toen de mensen je zagen bij de omstaanders van je Zoon, werd je gezegd : ‘wie is mijn moeder, wie zijn mijn broers?’ Later wordt je genoemd  de ladder van Jacob, de verbindingsfiguur tussen hemel en aarde. En je krijgt dan heel veel titels en de mensen beginnen te beseffen hoe belangrijk je bent als verbinding tussen ons en je Zoon. Maar voorlopig wordt je naar het tweede plan geschoven. En staande onder het kruis krijg je er nog een taak bij : “ziedaar je zoon’.
Maria, zo lijkt het, is de zachte kracht. Je kunt met haar alle kanten uit. Maar zo is het niet, want let maar eens op de volgende tekst, die op haar wordt toegepast :
 
“Prachtig ben je luisterrijk, dochter van Jerusalem
maar ook vreeswekkend (terribilis) als een vaandeldraagster
die voorop loopt in het voor de strijd opgesteld leger.”.
 
Met haar kun je niet spotten en wie heel eerlijk is merkt dat ook. In haar genadekapel voelen we ons tegenover haar heel klein worden en worden we wat verlegen. Met een liefdevolle blik kijkt ze naar ons, maar ontmaskert ze ons tegelijkertijd. En eist ze van ons dat we zelf ook de handen uit de mouwen steken.
De Heer heeft neergezien op de kleinheid van zijn dienstmaagd maar Hij, de Allerhoogste, verheft juist de geringen. Maria kan ons slechts verheffen omdat ze zelf verheven is.
 
En vandaag belijden we dat ze met ziel en lichaam, met lijf en leden, met huid en haar door het hemelse in beslag genomen is. Geraakt, doordrongen. Dat is nogal wat. Je zult zeggen : nogal logisch een moeder van zo’n kind. Maar niet alle moeders zijn zo sterk.
    Met ziel en lichaam, overschaduwd. Toevallig vind ik een prachtig gebed, geformuleerd door een grote Mariavereerder, Bernardus van Clairvaux, dat mij inspireerde bij de voorbereiding van dit feest. Bernardus legt de volgende woorden in de mond van Maria:

Uw Woord geschiede aan mij
Maar ik smeek U
Niet een woord dat uitgesproken wordt en vervliegt
Maar een woord dat binnenkomt en blijft
Een woord dat blijft en lichaam wordt, niet alleen maar lucht…
Ik hoop en bid dat ik het Woord dat binnenkomt
- U hebt het beloofd -
in mijn schoot mag voelen
nee, ik hoop dat het mij wordt ingeblazen,
dat het een persoon, een mens wordt
lichamelijk in mijn lichaam.

Zo belijdt Maria dat ze met lijf en leden in het heil betrokken is en dat ze van binnenuit is geraakt door Gods Geest. Het lichaam van het goddellijk Kind in haar lichaam.
En nu op het einde van haar leven kan het niet anders dan dat ze met heel haar persoon bij God mag zijn en dat ze voor ons ten beste zal spreken.
Daarom mogen we haar vandaag in de bloemetjes zetten, en beseffen dat ze menselijk zo op ons lijkt : Maria de gevoelsmens bij uitstek, geraakt tot in haar binnenste. Dat is ook de reden dat we met zovelen geraakt zijn door haar plaats in het heil.
Ze blijft met ons verbonden : ze is teruggekeerd naar de bron, maar ze blijft ons vóórgaan naar onze bestemming en sleept veel van onze lasten met zich mee. Soms kijkt ze even naar achteren, naar ons, of we haar wel blijven volgen, want vóór wat hóórt wat.
Maria blijft wijzen naar onze bestemming want ze is de weg van haar Zoon tot het einde gegaan.
Ze deelt in de vrucht van de verlossing : ten volle.
 
Pastoor Fons Kurris

 
 
C – 11e zondag – 12/13 juni 2010
2 Samuel 12,7-10 ; psalm 32 ; Galaten 2,16.19-21 ; Lucas 7,36 - 8,3
 
Een tafelgesprek
 
Als er in Parijs een diner is met de Franse president en een buitenlands staats- of regeringshoofd, dan wordt er in de Franse media natuurlijk uitgebreid verslag van gedaan. Eerst gaat het natuurlijk over het pak en de kleur van de stropdas van de heren en de kleur van de avondjurk en de hoed van de dames, en in Frankrijk natuurlijk vooral wat er op het menu staat, het voorgerecht, het hoofdgerecht en het dessert, en de wijn die daarbij gedronken word, en van welk jaar die is. Soms gaat de verslaggever zo in zijn beschrijving op, dat de redacteur in de studio hem bij de les moet houden en moet vragen : "Werd er ook iets besproken ? Waar ging het aan tafel over?"
 
Ja, waar gaat het bij een maaltijd over? Over wat er op tafel staat? Of over wat er aan tafel gebeurt?
 
Het gaat vandaag weer over een maaltijd. Net als vorige week, met Sacramentsdag. Wat stond er toen op tafel? Brood en wijn. Waar ging het écht over? Dat Christus zichzelf volledig, totaal, aan ons geeft, aan ons overgeeft.
 
Vandaag dus weer een maaltijd. We krijgen niet te horen wat er op tafel staat, welk hoofdgerecht en welke wijn. Maar we krijgen wel te horen waar het bij deze maaltijd over gaat. Over gastvrijheid. Over liefde. Over vergeving.
 
Over gastvrijheid. De Farizeeër Simon is een respectabel en deftig man, maar hij heeft zijn oordeel al klaar: ‘dit is geen profeet’ (v. 39). Jezus uitnodigen is bij hem een sociale verplichting : ‘Die Jezus, die is nu zo bekend. Ik moet Hem toch eens een keer uitnodigen, kijken wat voor kerel dat is’.... Nee, echte gastvrijheid staat open voor de gast, laat zich verrassen, staat open voor wat de gast inbrengt. Bovendien, de ontvangst van de Farizeeër Simon is koud en kil. Jezus verwijt het hem ook: ‘je hebt me niet de voeten gewassen, je hebt me niet gezalfd’ (v. 45-46). De vrouw, een patente zondares, ze is niet uitgenodigd, ze deugt van geen kanten, maar ze heeft het wél gedaan. Waar gaat het dus over ? Over tafelmanieren, niet zozeer, veeleer over gastvrijheid die uit het hart komt.
 
En dan komt het wezenlijke ter sprake. Want waar gaat het nu écht over, in dat tafelgesprek? Over schuld en aflossing van schuld. Want bij die vrouw gaat het over liefde, zij betoont veel liefde en spijt. Zij is eerlijk, uit het hart, ongeveinsd. – Later zal men haar vereenzelvigen met Maria Magdalena –.
 
Waar gaat het de laatste tijd over, bij de diners van regeringsleiders? Ja, eindelijk eens over een wezenlijke zaak, waar alle politici de laatste jaren met een grote boog omheen zijn gegaan, maar die de huidige economische en financiële crisis pijnlijk duidelijk maakt, namelijk de bodemloze staatsschulden van alle zogenaamd ontwikkelde landen, die als een blok aan het been van de economie hangen, en ten laste komen, als wij er niet meer zijn, van onze kinderen en kleinkinderen. Dat vragen momenteel alle regeringsleiders zich af. En ze zijn er voorlopig nog niet meer klaar. Als die schulden eens kwijtgescholden konden worden ? Maar zo gaat dat niet in de wereld van ons, mensen. De Maastrichtse voetbalclub MVV weet er alles van. Met heel veel moeite is men er in geslaagd de schuldeisers hun schulden kwijt te laten schelden. Maar de miljarden staatsschulden zullen niet snel kwijtgescholden worden. Zo gaat dat bij ons, mensen.
 
Hoe kom ik van mijn schuld af ? Een schuldenlast die op mij drukt. Voor de zondige vrouw van vandaag, zich bewust van de schuld die zo zwaar op haar drukt, die ze niet van zich af kan schudden, – ze kan alleen maar huilen, en in een wanhoopsdaad een flesje peperdure balsem op Jezus’ voeten giet. Net als de overspelige vrouw van enkele weken geleden – weet u het nog ? ‘wie zonder zonde is mag de eerste steen gooien’ – krijgt de zondares van vandaag ook een nieuwe kans. Die nieuwe kans krijgt ze niet van Simon, nee, die zich vast in zijn zekerheden, die nieuwe kans krijgt ze van Jezus. Van Jezus mogen mensen groeien, ondanks hun fouten, ondanks hun bodemloze schulden. Dat is geen menselijke, maar goddelijke logica.
 
Maar waarom wordt de zondige vrouw van vandaag al haar schulden vergeven? We horen het uit de mond van Jezus zelf : ‘zij heeft veel liefde betoond’. Dat doet mij denken aan dat prachtige woord van Augustinus: Ama, et fac quod vis, ‘bemin, en doe dan maar wat je wil’. Dat schrijft Augustinus in zijn prachtige commentaar op de Eerste Brief van Johannes: ‘Ik houd ik je voor eens en voor altijd deze leefregel voor: "Bemin, en doe wat je wil". Alles moet voortkomen uit de bron van de liefde. Uit deze bron kan alleen maar goeds voortkomen’. Augustinus ...
 
Een maaltijd vandaag dus, waar het dank zij die vrouw die binnen komt lopen, ergens over gaat. Ook vandaag, hier, in dit huis, zijn wij samengekomen voor een maaltijd. Het mag dus vandaag ook ergens over gaan.
 
Régis de la Haye, diaken
 
 
Pinksteren 2010
 
Onzichtbaar
 
Sinds vorig jaar heb ik een auto, van Franse makelij uiteraard, maar dit keer met snelheidsbegrenzer en met cruise controll. Sinds ik ruim 40 jaar geleden mijn rijbewijs haalde, heb ik allerlei soorten vrachtwagens en auto’s bestuurd, maar nog nooit in een auto boordevol electronica, met cruise controll en snelheidsbegrenzer. Kort geleden daarom ook eens uitgeprobeerd. Hoe voelt het nu om in een auto te rijden, waarvan ik niet zelf de snelheid bepaal, maar anonieme, geheimzinnige krachten, aangestuurd door een digitaal systeem. Toen ik de snelheidsbegrenzer uitprobeerde, gaf het mij een gevoel van bestraffing, van fout rijgedrag. Zodra ik probeerde gas te geven, was er iets anders dat, onafhankelijk van mij, op de rem trapte. Een soort rij-instructeur die op de rem trapt als de kandidaat in de fout dreig te gaan. Een zeer onprettig gevoel, betuttelend, een systeem waarbij men zich altijd schuldig moet voelen. De snelheidsbegrenzer zal ik in de toekomst dan ook niet vaak gebruiken. De cruise controll dan, die ook eens uitproberen. Het tegenovergestelde gevoel. Op een Franse autosnelweg rij ik 120. Ik zet het knopje op 130, en het is alsof de auto door een onbekende kracht opeens wordt voortgestuwd. Dan kan ik voor de eerste keer in mijn leven het gaspedaal loslaten, de benen ontspannen, want de auto rijdt vanzelf. Een onzichtbare kracht stuwt mij voort. Ik moet u zeggen, wanneer men dat nog nooit ervaren heeft, is het een zeer bijzondere gewaarwording.
 
We kennen het allemaal. Die onzichtbare krachten die ons voortstuwen, vooruit duwen. Fietsen met een stevige wind in de rug. Varen met bolle zeilen. Het gaat vanzelf. Een onzichtbare kracht drijft ons. 220 volt uit een stopcontact, het is totaal onzichtbaar, maar je voelt het des te beter.
 
Wij mensen wij worden gedreven door onzichtbare krachten. Met een nobel woord noemen we dat ‘ambitie’. Minder nobel heet het ‘drang’, ‘geldingsdrang’. Of ‘competentie’. Vooruit willen. Altijd meer willen. Voorop willen zitten, ook in het verkeer. Voorkruipen. Want we hebben allemaal haast. En waarom hebben we zo’n haast? Omdat we gedreven worden. Waarom en door wie? We weten het niet. Het is onzichtbaar, het zit in ons. Ja, wat drijft ons, vraagt ook Paulus ons vandaag (Rom. 8). Zijn het onze zuchten (eerzucht, hebzucht) of is het de Geest van God?
 
Sinds Pasen vieren we een God die zich steeds meer aan het zicht onttrekt, een God die totaal onzichtbaar wordt. Drie jaar lang heeft Jezus door het land getrokken. Iedereen heeft Hem gezien, grote menigten volgden Hem. Zelfs nog op die vrijdag aan het kruis. Brede interesse van spotters en ramptoeristen. En van huilende vrouwen. Heel Jeruzalem heeft het gezien. Iedereen was erbij, iedereen kon erover meepraten. Maar die Verrijzenis? Niemand heeft iets gezien, niemand heeft iets gemerkt. Sommigen zien Jezus dan, als een spook, heel even, en dan is Hij weer weg. Heel anders. Ze herkennen Hem soms nauwelijks, soms helemaal niet. En na een aantal dagen is Hij totaal uit zicht. Nooit meer teruggezien. Onzichtbaar. "Jij bent een onzichtbare God", ja, dat was al het verwijt van de profeet uit het Oude Verbond. Onzichtbaar. En Hij laat zich ook niet meer zien.
 
En wat er dan gebeurt is heel wonderlijk. Mensen staan op. Mensen nemen het woord. Mensen kruipen uit hun schulp, mensen gaan naar buiten, de straat op, en gaan praten, verkondigen, met durf, zelfbewust. Wat drijft in Godsnaam die mensen? Doen ze het uit eigen beweging? Ja en nee. Want wat vandaag geboren wordt is de Kerk.
 
Sinds Pasen en Hemelvaart heeft God zich totaal aan het zicht onttrokken. Maar wat drijft dan die mensen die de straat opgaan? Hier wordt een kerk gesticht. Een kerk van mensen, een mensen-kerk, maar geen mensen-werk. Een geheime, onzichtbare kracht drijft, stuwt Zijn kerk.
 
Onze kerk is een kerk van mensen, maar geen mensen-kerk. Geen mensen-werk. We kunnen er de laatste tijd weer eens over meepraten, de zoveelste keer in de geschiedenis van de kerk. Wat er met een kerk gebeurt als enigen van ons zich niet laten leiden door Gods Geest. Wanneer er weer zo’n crisis is, zo ernstig dat mensen de kerkgemeenschap de rug toekeren.
 
En dan tóch kunnen vertrouwen op Gods Geest... En dan tóch erop vertrouwen dat niet wij de kerk leiden (gelukkig niet), maar Gods Geest... En dan tóch doorbijten, en weten dat deze crisis een heilzame crisis is, en dat we er lering uit moeten trekken... en dat we tóch kunnen bidden. Bidden wat we zojuist gezongen hebben in het Veni Sancte Spiritus:
 
Lava quod est sordidum,
riga quod est aridum,
sana quod est saucium,
flecte quod est rigidum,
fove quod est frigidum,
rege quod est devium.
Was af wat vuil is,
besproei wat droog is,
genees wat gewond is,
maak recht wat krom is,
verwarm wat koud is,
breng terug op het rechte pad wat afgedwaald is.
 
Kom, Heilige Geest, vervul de harten van Uw gelovigen,
en ontsteek in ons het vuur van Uw Liefde,
 
Régis de la Haye, diaken
 
 
C – 4e zondag van Pasen – 24/25 april 2010
Handelingen 13,14.43-52; Psalm 100; Apocalyps 7,9.14b-17; Johannes 10,27-30
 
Verduistering en optimisme
 
Zoals de stofwolk van de IJslandse vulkaan de afgelopen weken de hemel heeft verduisterd, zo gaat momenteel ook onze kerk door een periode van verduistering. Er gaat sinds enkele maanden geen dag voorbij, of we krijgen weer vreselijke berichten over misbruik door priesters of bisschoppen. Door de fout van enkelen wordt de Blijde Boodschap van Christus verduisterd. Sommige mensen willen dan geen lid meer zijn van die zondige kerk, en laten zich uitschrijven.
 
Wat te doen als de Blijde Boodschap van Christus wordt verduisterd? Wat te doen als het woord van het Evangelie niet wordt verstaan? Wat te doen als de stem van Jezus niet wordt gehoord?
 
Het lijkt er soms wel eens op of alles tegenzit. Alsof een grote tegenslag die kleine, kwetsbare, breekbare kerk treft. Noem het, zoals Johannes vandaag, een grote verdrukking. Om bedrukt van te worden. Gelukkig is het nog niet zo erg als ten tijde van de apostel Johannes, want wanneer hij in zijn Apocalyps, het Boek van de Openbaring, spreekt over de grote verdrukking, dan bedoelt hij de christenvervolging in de jaren 90 onder keizer Domitianus. In Europa worden christenen niet meer vervolgd, maar genegeerd. Men keert ons de rug toe. We zijn blijkbaar niet meer geloofwaardig. Dat verklaart de ‘bedruktheid’. Want er wordt nu gefocust op misstanden (en die zijn er), maar het menselijk feilen verduistert de Boodschap van Christus.
 
En dan kan je nog zo’n goede boodschap hebben, de mensen willen je gewoon niet meer horen. We lazen het zojuist in het boek van de Handelingen van de Apostelen, wanneer Paulus stuit op weigerachtigheid, mensen die de oren sluiten, die de Boodschap niet willen horen. Niet willen horen, omdat wij meer niet geloofwaardig zijn.
 
De teksten van vandaag spreken ook over tegenslag, over weigerachtigheid, over dingen die tegenzitten. Ja, wat te doen, als er alsmaar tegenslag is, tegenwerking, als iedereen over je heenvalt? Als alles tegenzit?
 
Althans, de twee eerste lezingen. Niet de Evangelielezing van vandaag !
 
Wanneer wij bij de maandelijkse doopvoorbereidingsavonden met jonge ouders praten, dan komt in de gespreksronde ook altijd de vraag aan de orde: "In wat voor wereld gaan jullie kinderen opgroeien? Hebben jullie daar vertrouwen in?" En natuurlijk komt dan ook aan de orde dat de huidige samenleving toch wel hard is, toch wel vreselijk individualistisch is, toch wel gevaarlijk is voor de jeugd, dat er veel meer risico’s dan vroeger zijn, dat er gigantisch veel op onze kinderen afkomt. En dab vragen wij: "En zijn jullie daar dan ongerust over?" – "Nee", zeggen ze dan, "Nee. We zien het wel zitten. De wereld zal worden wat wij en onze kinderen ervan gaan maken". Dat onverwoestbaar optimisme van onze jonge ouders verbaast mij soms.
 
Bij de doopvoorbereidingsavond in Sint-Pieter vorige week zei overigens één van de jonge vaders dat hij, in verband met de negatieve berichten over de kerk, ernstig overwogen had om zijn kind niet te laten dopen. En uiteindelijk de beslissing heeft genomen om het tóch te doen. Toch begrepen dat de rijkdom van Jezus’ Blijde Boodschap niet verduisterd mocht worden door de menselijke fouten van enkele "slechte herders".
Zullen we afspreken dat ook wij zo’n onverwoestbaar optimisme gaan aankweken?
 
Het is vandaag Roepingenzondag. Achter in de kerk ligt de brief van de bisschoppen van Nederland naar aanleiding dan deze dag. Die mag u meenemen om thuis te lezen.
 
Roepingenzondag. Dan denkt iedereen natuurlijk aan roepingen tot het priesterschap, want zo hebben wij het met de paplepel binnengekregen. En natuurlijk, en dat weet ook iedereen, ligt hier een probleem. Zelfs een groot probleem. Het dekenaat Maastricht heeft al uitgerekend dat er over 20 jaar in heel Maastricht nog maar 6 priesters in functie zijn. Wie de oplossing weet, hoe het dan met de kerk verder moet, mag het zeggen.
 
Dan moet ik denken aan de vertwijfelde vraag van Andreas, bij de broodvermenigvuldiging, toen hij een jongen vond die 5 broodjes en 2 vissen bij zich had: "Maar wat betekent dat voor zó velen?" (Johannes 6,9). En toch gebeurde het wonder.
 
Het moet dus goedkomen.
 
Roepingenzondag kijkt verder dan alleen maar de roepingen tot het gewijde ambt. En Jezus spreekt vandaag uitdrukkelijk niet over schapen die wél, en andere schapen die niet geroepen zouden zijn. Alle schapen luisteren naar Zijn stem, en ze volgen Hem, en geen enkel schaap mag verdwalen, niemand kan iets wegroven uit de handen van de Vader. En Jezus spreekt vandaag ook niet over "goede herders" of over "slechte herders". Geroepen wordt vandaag heel de kudde, voorlopig ook de zwarte schapen. Want de "Goede Herder", dat is uiteindelijk toch Jezus. Samen met Zijn Vader. In eenheid met Zijn Vader. Eén met Zijn Vader.
Zo’n bemoediging hebben wij wel nodig. Hoe hard het ook tegenzit, hoe donker de lucht is, hoe verduisterd het ook is, vertrouwen ís er, zál en móét er zijn. Het moet goedkomen.
 
Dat heb ik zelf vorige week in ieder geval weer eens geleerd van onze jonge doopouders.
 
Régis de la Haye
 
 
C - Vasten – 5e zondag – 20/21 maart 2010
Jesaja 43,16-21 ; psalm 126(125) ; Filippenzen 3,8-14 ; Johannes 8,1-11
 
De moraalridders
 
Wie moraalridder wil zijn, moet zelf onberispelijk zijn. Het gaat niet aan, om van anderen volledige integriteit te eisen, en zelf in belangenverstrengeling verstrikt te zitten, hoe miniem en vergeefbaar die ook is.
 
Onze Katholieke Kerk weet het nu ook goed : wie moraalridder wil zijn, moet zelf onberispelijk zijn. Wie de meest strenge ethische regels op het gebied van sexualiteit en lichamelijkheid verkondigt, moet zelf op dit gebied onberispelijk zijn. Het gaat niet aan om aan anderen hoge eisen te stellen, en zelf, nota bene door de meest heilige bedienaren, de priesters, zich te vergrijpen aan nota bene het meest kwetsbare, jonge kinderen. Weet u nog wat Jezus zei over die molensteen ? (Matteüs 18,5-6). Ik lees het u even voor:
Wie in mijn naam een kind bij zich opneemt, neemt mij op. Maar wie een van de kleinen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken.
Dat is duidelijke taal.
 
De schriftgeleerden en de farizeeën weten het nu ook : wie moraalridder wil zijn, moet zelf onberispelijk zijn. Wie een vrouw aanklaagt voor overspel – op heterdaad betrapt ... hoe kan dat toch ? Wat met ik me daarbij voorstellen ? Zoals die twee vieze oude mannen die vanachter een boom Suzanna staan te begluren ? – en waar was dan de man, de partner, want overspel doe je toch met z’n tweeën ? Maar die man gaat vrijaf ! – ja, wie een vrouw aanklaagt voor overspel, moet zelf zuiver op de graat zijn. En ze dropen af, te beginnen met de oudsten ... De ervaringsdeskundigen ...
 
Wij zien vandaag de afgang van de moraalridders.
 
Och, zo zijn wij, mensen, nu eenmaal. Snel erbij om naar de ander te wijzen. Net als in een schoolklas. Het is altijd de andere die het gedaan heeft. Net als bij een aanrijding. Het is altijd de ander die niet uitgekeken heeft.
 
Zo ging het de laatste zondagen ook in de lezingen uit de liturgie van onze kerk. We hebben het de afgelopen zondagen in de evangelielezingen gehoord. Die Galileeërs die omgekomen waren? Allicht, dat kwam omdat ze zondaars waren. Die verloren zoon? Eigen schuld, was hij maar thuis gebleven. En vandaag die overspelige vrouw. Kijk eens, schandalig !
 
Ja, zo zijn wij, mensen. Altijd klaar staan om andermans fouten te zien, altijd klaar staan om de ander de schuld te geven. De eigen fouten zien is veel moeilijker. Daarom keert Jezus telkens het compliment om. Al die mensen die bij een ongeluk omgekomen zijn, dan is dat niet hun schuld. "Maar als gij niet tot bekering komt, zult ge allen op dezelfde manier omkomen". – "Ik ga weer naar mijn vader", zei de verloren zoon, ‘ik keer om’, ‘ik maak ommekeer’. – En vandaag: "Degene onder u die zonder zonde is, mag de eerste steen gooien". En ze dropen allen af, te beginnen met de oudsten.
Niet altijd wijzen naar de ander, maar zélf tot bekering komen. Niet altijd de schuld bij de ander zoeken, niet altijd andermans onvolkomenheden aanwijzen, maar beseffen dat men zelf de grootste zondaar is.
 
Overigens stelt de wet van Mozes geenszins dat alleen de vrouw gedood moet worden, maar dat beiden, zowel de man als de vrouw, schuldig aan overspel, gedood moeten worden (Lev. 20,10; Deut. 22,23-24). Dat is de wet. De bikkelhard in steen gehakte wet. Zo staat het in marmer gegrift. Zo staat het geschreven.
 
Jezus schrijft ook. Maar grift niets in steen. Hij schrijft op de grond, op de vloer van de Tempel van Jeruzalem, in het stof. Wat hij schrijft is snel uitgeveegd. Eén rukwind en het is weg. Of je veegt het uit, en je begint opnieuw.
 
Van Jezus mag de overspelige vrouw opnieuw beginnen, ze mag zich bekeren, een ommekeer in haar leven maken, haar verleden achter zich laten, iets nieuws beginnen. Zo zegt het vandaag ook de profeet Jesaja: "Denk niet meer aan het verleden. Ik onderneem iets nieuws". Een nieuwe start.
 
Bidden wij dat onze kerk, in verband met de schandalen die momenteel breed worden uitgemeten in de pers, ook, net als de overspelige vrouw, mag rekenen op de Jezus’ vergeving... Dat er schoon schip gemaakt moet worden, dat er een stevig moment van bezinning en bekering moet komen, dat is wel zeker. En dan maar hopen dat de profeet gelijk krijgt, dat onze kerk wederom, voor de zoveelste keer in haar geschiedenis, met een schone lei, een nieuwe start mag maken.
 
Régis de la Haye, diaken
 
C - 3e zondag veertigdagentijd - 6/7 maart 2010
 
Plotseling krijgt de kerk een rekening gepresenteerd: een onbetaalde rekening van 30, 40, 50 jaar terug. De geadresseerden zijn oud, overleden of onvindbaar. Sommigen hebben jaren geleden al door hun uittreden te kennen gegeven dat ze toen niet gelukkig waren. En wellicht is er spijt, jarenlange angst dat het bekend zou worden….Levenslang moeite je zichzelf te accepteren. Hoe had je zo zwak kunnen zijn: verspeelde onschuld!
 
Nadenken over de gevolgen van je doen en laten destijds: hoe heb zo zwak kunnen zijn: drong het niet tot je door dat minderjarigen de dupe waren en onderworpen aan jouw machtspositie? Een afgrond – zo besef je naderhand- tussen het beleden ideaal en de brute werkelijkheid. Balans uit evenwicht: er zijn onherstelbare wonden toegebracht aan levens die nog moeten uitluiken, en jeugdige onschuld is wreed verstoord.
En nu na jaren worden de littekens opengereten en alsnog wordt het heimelijke aan de kaak gesteld als een middeleeuws gerecht.. Het gretige, het overmatige ,de greep van de macht wordt nu fel belicht.
 
En het geheel waarvan jij deel uitmaakte en waarvan je dacht dat het buiten spel bleef is, wordt door jouw gedrag alsnog aangeklaagd. En het geheel klaagt jou aan en stelt je aansprakelijk. Dat geheel dat je misschien al de rug hebt toegekeerd. Een stem die je ooit meende te horen ,diep in je hart, is verstomd. Die stem die zich ooit bekende maakte als de Solidaire -IK ZAL ER ZIJN VOOR JOU -, die stem is verstomd. Er bleef kilheid en verlatenheid in je hart en je deed dingen waarvoor je je nu schaamt: de zonde van de verstoorde orde en het schenden van een intiem mysterie. En je eigen overheid kon je niet begrijpen en liet je doorgaan. En soms na een incident werd alles met de mantel der liefde bedekt of je werd overgeplaatst en in het ergste geval naar een kliniek gestuurd.
 
Ik voel dat alles als een schrijnende pijn. De zoveelste dolksteek aan de kerk die mij ten diepste heilig is. Zijn we overgelaten aan degenen die alles zonder mededogen aan de openbaarheid willen prijsgeven? Als er in jouw familie iets gebeurt dat niet door de beugel kan, probeer je toch eerst binnenskamers orde op zaken te stellen en tot een oplossing te komen. Maar dat is juist het verwijt dat de slachtoffers niet serieus genomen worden en dat er tot op de dag van vandaag geen genoegdoening is.
Maar het moge ook gezegd worden : waar zonder genade geoordeeld wordt, viert het moralisme hoogtij .
 
Maar hoe nu verder. Misschien schenkt de evangelielezing van deze zondag enig uitzicht. Jezus spreekt op het einde van zijn leven over een vijgeboompje dat aan het wegkwijnen is. Als je niets doet, zal het ten onder gaan. Er zal dus iets moeten gebeuren. De eigenaar die het verzwakkingsproces van het boompje goed kent, heeft nog hoop en let op levenssymptomen. Degenen die het boompje op afstand passeren zien er geen heil meer in en constateren dat het boompje moeten worden omgehakt.
 
Het is dus maar hoe je naar het boompje kijkt, met liefde omdat het jouw boompje is met geloof en hoop of als een buitenstaander die snel rendement wil. Misschien is het voldoende dode takjes af te knippen en te vertrouwen dat er nieuwe scheuten zullen aangroeien.
 
God hoort de jammerklachten van zijn volk: het volk dat aan zichzelf ten onder dreigt te gaan, doodgedrukt in de verdrukking. God besluit af te dalen en een nieuw begin te maken. Maar let wel : God - opnieuw- ketent zich aan mensen, maakt zich bewust afhankelijk van zwakke schepselen. Maar God heeft eindeloos geduld en is telkens weer bereid opnieuw met ons te beginnen. En juist als wij aan onszelf ten onder lijken te gaan, daalt God af en hoort onze jammerklachten en maakt een nieuw begin. Nu wij het even niet meer weten, en schaamtevol roepen om hulp? …….
 
‘Wie meent te staan, moet opletten dat hij niet zal vallen". Is het niet tijd voor een intens smeekgebed?
Pastoor A. Kurris
 
 
C – zondag 3 – 23/24 januari 2010
Nehemia 8,2-4a.5-6.8-10; 1 Kor 12,12-30; Luc 1,1-4; 4,14-21
 
De zondag van de lectoren
 
Er wordt een tekst voorgelezen, en de ogen van allen zijn gespannen op de voorlezer gericht. Er wordt voorgelezen. Dan is het opeens stil. Dan is opeens aller aandacht op de voorlezer gericht.
Aan kinderen wordt voorgelezen. Onze ouders lazen ons verhaaltjes voor, vóór het slapen gaan. En wij lagen aandachtig te luisteren, met de knuffel bij de hand. Mijn eigen vader las niet voor uit een boek, hij verzon de verhalen zelf, zomaar, wat hem inviel. En hij hield altijd de spanning er in, want de volgende dag verzon hij weer iets nieuws en ging het feuilleton verder.
    Psychologen en pedagogen beweren zelfs dat het voor de kinderen van levensbelang is dat ouders voorlezen. Het structureert de kinderen, het wekt hun beeldend vermogen op, en het geeft hen gevoel voor symboliek. De broeders van de Beyart indertijd hebben dat zeer goed begrepen, met hun serie ‘Wipneus en Pim’, verhalen om voor te lezen.
 
In de tijd dat er geen televisie, geen internet, geen bioscopen, geen dvd’s waren, waren er alleen maar verhalen. Er werd verteld. En er werd geluisterd, aandachtig geluisterd naar verhalen.
Boeken waren er ook nauwelijks. Ze waren duur, uiterst kostbaar, want met de hand geschreven, op duur perkament (papier bestond nog niet), en bovendien kon niet iedereen lezen. De meeste mensen waren dus aangewezen op het voorlezen door anderen. De verhalen nam men niet tot zich via het schrift, ze kwamen niet in beeld zoals via internet en televisie, de verhalen kwamen door het luisteren. En daarbij heeft de voorlezer de belangrijkste rol.
 
De voorlezer ! Dat is dus de sleutelfiguur, maar ook degene die de zwaarste verantwoordelijkheid draagt. Een tekst kan men zodanig voorlezen dat niemand er iets van begrijpt, een slechte voorlezer kan een tekst totaal kapot maken, maar een goede voorlezer kan een tekst zodanig brengen dat de inhoud bij de toehoorders aankomt, dat een tekst mensen raakt.
    En geraakt zijn de mensen die onder Ezra en Nehemia terugkeren uit de ballingschap, en de muren en de tempel van Jeruzalem weer opbouwen. En weer de Schrift gaan lezen. Er wordt voorgelezen. En geluisterd. Het hele plein zit vol, men luistert, men is aandachtig, men is geraakt, zelfs tot tranen bewogen, er wordt geluisterd naar de voorlezer die de Torah voorleest, de Wet Gods.
In de Joodse Hebreeuwse Bijbeltekst staan onder en boven de letters kleine tekentjes, die aan de voorlezer (maar de voorlezer is dan eerder een voorzanger) aangeven hoe de tekst gedeclameerd, feitelijk gezongen moet worden. Want lezen doe je niet stil voor jezelf, maar hardop. Het Hebreeuws heeft ook geen woord voor ‘lezen’, er staat iedere keer ‘kara’, dat betekent roepen, schreeuwen, verkondigen. Zoals ons, diakens, wordt geleerd: "het evangelie moet je niet voorlezen, maar je moet het verkondigen". Het moet hoorbaar zijn, overkomen, klinken.
 
Want pas wanneer de tekst bij de mensen aankomt, kan hij ook gaan werken. De tekst wordt dan: Woord, zoals Jezus, wanneer hij mag optreden als voorlezer van de profeet Jesaja, niet alleen de oude Bijbelrol opent en de tekst verkondigt, maar de tekst ook laat worden tot Woord. Wat verkondigd wordt, geschiedt ook. Het woord met een kleine letter wordt tot Woord met een hoofdletter. Het gelezen woord stelt present, verwezenlijkt de werkelijke tegenwoordigheid van Jezus, zoals Jezus, wanneer Hij in de synagoge het woord van de profeet verkondigt, dit woord ook realiseert, en zich daarmee kan proclameren tot de Messias, de ‘Masjiach’, de Gezalfde van de Heer, Hij die komt in de Naam des Heren. Zoals Jezus vandaag zelf zegt: "Het woord dat u gehoord hebt, is nú in vervulling gegaan". Doordat het woord tot realis presentia, tot werkelijke tegenwoordigheid wordt, stelt de tekst van de Schrift de Heer Jezus ook present temidden van ons: "waar twee of drie in Mijn Naam samen zijn, daar ben ik in hun midden".
 
Het is vandaag dus de grote dag voor al onze lectoren, als het ware "de zondag van de lectoren". Zij die uitverkoren, geroepen zijn om in de kerk de heilige teksten te verkondigen. Onze kerk houdt de lectoren, de voorlezers in hoge eer. Zij kent nog steeds het ambt van lector, een uitverkiezing die zo belangrijk is dat het, in de opgang naar de diaken- of de priesterwijding, een speciale aanstelling is door de bisschop.
Al bijna tien jaar, sinds 2001, werden de lectoren van onze kerk getraind door mevr. Doortje Mesker, pas overleden en vanuit deze kerk naar haar laatste rustplaats gebracht. Doortje was oud-docente tekstexpressie aan de Toneelacademie van Maastricht, en als parochiane had zij aangeboden onze lectoren te trainen. Het was bij haar niet alleen een stukje technische tekstexpressie, maar ook en vooral een reflectie op de lezingen van de zondagen, want, dat was haar uitdrukkelijk uitgesproken opvatting, om een tekst goed voor te lezen, moet je een tekst door en door mediteren en moet je er volledig in opgaan. Wij herdenken Doortje zondag tijdens de mis van half 12.
Het was ook de vraag van de diaken Filippus, die, naar het verhaal in het boek van de Handelingen van de Apostelen, de Ethiopiër die terugkomt van de Tempel van Jeruzalem hardop uit het boek van de profeet Jesaja hoort lezen, en hem vraagt: "Begrijp je wat je leest?" (Handelingen 8,30). De goede voorlezer is de voorlezer die zich de tekst eigen maakt.
 
Het is deze week ook de Bidweek voor de Eenheid van de Kerken. Iedereen weet hoezeer wij, als katholieken, de laatste eeuwen het lezen van de Heilige Schrift hebben verwaarloosd, en hoezeer de kerken uit de Reformatie ons daartoe, die eeuwen door, het goede voorbeeld hebben gegeven. In alle nederigheid mogen wij nu hún goede voorbeeld gaan volgen. Moge de Heilige Schrift ook voor ons weer een levensboek worden, een levensbron, een boek om in te lezen, een boek om naar te luisteren.
 
Toen de H. Augustinus in een moeilijke innerlijke strijd, bezig was zijn laatste twijfels te overwinnen op de weg naar zijn uiteindelijke bekering, zat hij in een tuin, en klonk er plotseling een stem die riep: "Tolle, lege. Tolle, lege": ‘neem en lees, neem en lees’. Hij sloeg de Bijbel open, hij las één vers uit de Schrift dat hem persoonlijk raakte, en hij was bekeerd. Augustinus heeft de Bijbel zijn leven lang nooit meer dicht gedaan.
 
Régis de la Haye, diaken