Kerstmis en genade
 
Masoeme Abbarin
Iets over mijn opleiding en werkervaring.
Ik ben geboren in 1961 in Iran.
In 1988 kwam ik als uitgenodigd politiek vluchtelinge naar Nederland.
In Teheran studeerde ik psychologie (vooral theorie en praktijk van psychologische hulpverlening).
Een aantal jaren gaf ik maatschappelijke/psychosociale hulpverlening en gaf ik relatie- en opvoedingsadviezen.
Daarnaast was ik op vele terreinen actief, onder andere schreef ik veel. Sinds 1996 schrijf ik over ervaringen en kritische opvattingen van mijzelf en andere allochtonen. Ik schreef columns en essays in diverse bladen: in Senior, (vaktijdschrift voor de ouderensector), De Zwolse Courant en Dagblad Trouw en andere. Ook werkte ik mee aan twee boeken. De laatste tijd ben ik veel bezig over opvoeding, eerwraak en de gevolgen van het halen van een partner uit het land van herkomst.
Sinds 2001 woon en werk ik in Maastricht.
[1]
Toen ik als uitgenodigde vluchteling met mijn gezin in Nederland kwam, waren kerst en nieuwjaar net voorbij. Eind van dat jaar gingen wij dus onze eerste kerst in Nederland tegemoet. Van de school waarop mijn kinderen zaten, ontving ik een briefje dat de ouders op school een kerststukje konden komen maken. Als enige van de Iraniërs ben ik die avond meegegaan met een Nederlandse moeder. Ik wíst vanuit mijn jeugd van het kerstfeest; van de kerstman bijvoorbeeld die wij Baba Noël noemen, maar kerststukjes en kerstbomen kende ik niet.
Die Nederlanders wisten uiteraard van de bedoeling: hoe je takjes knipt en zo’n kerststukje in elkaar zet. Ik wist van niets. Een voorbeeld of model waaraan ik de bedoeling had kunnen zien, was er ook niet. Ik keek dus maar rond naar dat nieuwe en voor mij vreemde. Aan het resultaat van iemand die snel klaar was kon ik de bedoeling zien, en met hulp van iemand heb ik ook nog snel zo’n feestelijk kerststukje in elkaar gezet en trots mee naar huis genomen.
 
In datzelfde jaar heeft die vrouw met wie ik naar die schoolkerst-knutselavond was geweest en die daaraan nog eens goed had kunnen zien dat wij nergens vanaf wisten, samen met een andere vrouw in de buurt, voor ons als cadeau een kerstboom gekocht en bij ons versierd met allerlei spul en snoep. En met pakjes onder de boom die we pas op kerstavond mochten openen; een geduldig wachten waarmee mijn kinderen het niet makkelijk hadden.
Die buren hadden blijkbaar met elkaar afspraken gemaakt over hoe ze ons in hun kerstgebruiken wilden inwijden. Want kerstavond nodigde de ene buurvrouw ons uit om met hen op een laat uur naar de kerk te gaan. Later hoorden we dat dat een kerstnachtmis was. Daarna nodigde zij ons uit voor het nachtelijk kerstontbijt bij hen, met chocolademelk en zoete kerstcake en tulband en dergelijke.
Eerste kerstdag zelf nodigden de andere buurvrouw ons gezin (van vijf personen NB) uit om bij hen aan hun kerstdiner mee te doen. Zij hebben ontzettend hun best gedaan om ons in hun familiekring op te nemen. Ik kon geen verschil zien in hoe zij de onze en hun eigen kinderen behandelden met pakjes kerstcadeautjes. De opa en oma van die kinderen werden ook die van mijn kinderen. Als zij naar hun opa en oma op bezoek gingen kwamen ze altijd mijn kinderen ophalen: mijn kinderen gingen ook naar opa en oma. Zo ging het bij verjaardagen en feesten. Die mensen konden heel goed delen. Als ik mijn kinderen over hun opa en oma in Iran sprak, begrepen ze dat niet goed en ze gingen hun grootouders op die grote afstand als een soort reserve opa en oma beschouwen.
Zo was mijn eerste en heel goede ervaring met de Nederlandse kerstcultuur.
Dit zijn leuke ervaringen waarmee vluchtelingen welkom worden geheten in hun vreemde land. Dit zijn altijd heel fijne herinneringen gebleven.
 
Wij hadden dus lange tijd een versierde kerstboom bij het raam wat iedereen goed kon zien. Naast ons hadden we een Surinaams gezin dat al jaren hier woonde, maar dat niet meedeed aan deze kerstcultuur. Wij woonden nog geen jaar in Nederland en hadden meteen al een kerstboom. Onze kinderen vonden het erg leuk. Nederlanders lieten ook merken dat ze het leuk vonden. Alleen Iraniërs vonden het raar. “Jullie zijn verraders”, vonden sommigen. Voor de Iraanse cultuur deden wij iets vreemds. “Zijn jullie christen geworden? Worden jullie Hollanders?” Zulke dingen werden ons gevraagd. Zo had dat betrekken bij en meedoen met Kerstmis zowel positieve als negatieve kanten.
 
Met oud en nieuw kwamen diezelfde mensen ons wéér ophalen om dit met hen mee te vieren. Zij wilden niet dat wij aan al die dingen meebetaalden. Dat alles gaf echt een heel fijn gevoel. Het jaar daarop wisten wij van kerststukjes en kerstbomen, kerstcadeautjes en kerstdiner. En dat jaar hebben wij – zo goed en zo kwaad als het ging - die buren verrast met een ‘Hollands kerstdiner”. En eveneens hebben wij kerstgeschenken gegeven aan die vriendelijke buren die ons zo behulpzaam hadden ingewijd. Jarenlang, tot onze kinderen groot waren, hebben wij hieraan meegedaan.
 
[2]
Met de traditie en cultuur van gezelligheid heb ik dus al vroeg in Nederland kennis kunnen maken, maar van de inhoud ervan wist en begreep ik niets. In die kerk waar we mee naartoe waren genomen was bijvoorbeeld ook een kerststal en die mensen vertelden er ons honderden dingen over. Ze hebben ons waarschijnlijk de inhoudelijke betekenis van kerstmis uitgelegd, maar wij kenden de taal nog onvoldoende en verstonden slechts enkele woorden. En we zagen natuurlijk wat er te zien was: de kerstbomen en kaarsen, de kerststal en de beelden. Ik verzon er intussen mijn eigen verhaal bij. Ik hoorde de naam Maria en zag dat beeld en ik vulde het in met hetgeen ik vanuit mijn jeugd wist van Hazrette Maryam (H. Maria). Wij zeggen nooit zo maar enkel ‘Maria”, wij zeggen altijd ‘Hazrette Maryam’; dat klinkt voor ons eerbiediger.
Wat was mijn verhaal?
 
Mijn wereld bestond uit vader, moeder, opa, oma én mij als enig kind. Elke avond moest iemand mij een verhaal vertellen tot ik in slaap viel. Zo was mijn kindertijd. Naar bed gaan betekende: een verhaal horen. En niet een stukje en dan morgen de rest: nee, het verhaal moest diezelfde avond afgerond zijn. En daarna mag ik erover praten en zeggen wat ik ervan vind en erbij voel: zielig of fijn. En dan kan ik slapen.
 
Mijn vader vertelde vaak over Hazrette Ibrahim, Hazrette Ismaël, Hazrette Noe en ook over Hazrette Maryam. Ook nam hij mij een paar keer mee naar een christelijke klissa (kerk). Ik mocht overal van weten en alles ontdekken.
 
Over Hazrette Maryam hoorde ik bijvoorbeeld hoe op een dag een engel kwam zeggen: je zult een kind krijgen, die zul je Isa (Jezus) noemen. Dit wordt een profeet die de mensen gaat redden. “Ik heb geen man,” had zij gezegd. “Hoe kan dat dan?” “God kan alles”, zei die engel. Toen zij zwanger werd, kreeg zij grote moeilijkheden: de mensen wilden haar doden. Toen, op het eind, ging een muur open en kwamen twee engelen daar en kon zij van dat kind bevallen. Die baby gaf meteen een lichtkrans te zien, zodat de mensen direct konden zien dat hier een wonder gebeurd was.
Mijn vader die een heel gelovige, maar absoluut geen fundamentalistische moslim was, sprak altijd met grote waardering en respect over deze vrouw die zoveel moeilijkheden had kunnen verdragen. Als jong meisje kreeg ik geloof mee en respect voor Hazrette Maryam. Zulke geschiedenisverhalen vond ik leuk als kind. Dat beeld en die kaarsen erbij in een kerk, is dus ook een stukje van mijn identiteit.
 
masoeme.jpg (18844 octets)[3]
Als ik in de O.L.Vrouwebasiliek bij het beeld van de Sterre der Zee kom, is dat voor mij dé plek in Maastricht die ik het allermooiste vind en waar ik mij thuis voel. Een plaats waar ik mijzelf kan zijn, mij kan uiten bij het aansteken van een kaarsje. Naar een moskee ga ik nooit, maar vaak ga ik naar die O.L.Vrouwekapel, om er verbondenheid te zoeken, al ben ik geen katholiek.
Daar, bij dat Mariabeeld en bij het aanschouwen van die vele brandende kaarsjes, vind ik mijn verleden terug. Inwendig kom ik daar in contact met mijn kindertijd en mijn vader. Daar voel ik mij niet alleen. Daar voel ik mijn verlangen naar mijn familie. Daar zoek en krijg ik steun in mijn verdriet.
 
Als ik hoor over het wanbeheer van dit Iraanse regime, de merkwaardige dingen die de nieuwe extreem conservatieve president Ahmadinejad zegt, waardoor ik in wanhoop besef dat dit regime nog minstens acht jaar in het zadel zit… als zo mijn ballingschap heel zwaar op mij drukt, kan ik daar bij Hazrette Maryam steun en genade vinden.
 
Ik had een buitengewoon open vader en moeder die mij respecteerden en met mij alles in ronde-tafel-overleg bespraken en die mij aanmoedigden en steunden. Die steun ben ik kwijt geraakt en daar zal ik nooit aan wennen. Toen zij leefden had ik nog hoop. Toen zij overleden ben ik een groot stuk van mijzelf kwijt geraakt. Eerder kon ik nog hoop hebben en in mijn fantasie plannen maken voor –wie weet- volgend jaar misschien… Maar dat is voorbij.
 
Ik leef met mijn verleden – een nieuw leven heb ik niet. Ik heb steun nodig die ik nergens kan krijgen en dat blijft moeilijk. Maar op die plek krijg ik iets daarvan terug. Die plek wil ik dan ook vasthouden als een stukje dat van mijzelf is geworden.
 
Daar, zegt mijn gevoel als ik vol ben, wil ik zijn en kan ik vertellen. Daar wil ik delen: mijn verlangen, mijn ballingschap, mijn verlorenheid. Mijn angst, mijn verdriet, mijn eenzaamheid, mijn wanhoop… alles kan ik daar vertellen. Alsof daar bij Hazrette Maryam ook mijn vader en moeder zijn. Daar is het licht, is het mooi.
 
Daar, bij Hazrette Maryam, kan ik schuilen in haar geborgenheid. En daar wordt door haar een deel van die zwaarte van mij afgenomen. Daar ondervind ik genade.
 
Gelukkig is die kerk altijd open. Daar kun je, net als bij je ouders, altijd zonder afspraak heen.
Voor mij is het daar elke dag kerst.
 
Maar Kerstmis zelf vier ik ook mee. Van meedoen aan een traditie word je rijker.
Ik wens allen een prettige Kerst toe – met veel gezelligheid en geluk.
En voor iedereen een eigen land…
 
Masoeme Abbarin
 
Masoeme Abbarin schreef het verhaal dat wij hierboven geplaatst hebben op 22 december 2005.
Zij was in 1961 in Iran geboren, kwam in 1988 als uitgenodigd politiek vluchtelinge naar Nederland, woonde eerst in Zwolle en sinds 2001 Maastricht, waar zij op 26 oktober 2006 aan lever- en pancreaskanker overleed.
 
In Teheran had zij psychologie gestudeerd, vooral theorie en praktijk van psychologische hulpverlening. Een aantal jaren gaf zij maatschappelijke/psychosociale hulpverlening en relatie- en opvoedingsadviezen.
Daarnaast was zij op vele terreinen actief, onder andere schreef zij veel. Sinds 1996 schreef ze over ervaringen en kritische opvattingen van haarzelf en andere allochtonen. Zo schreef ze columns en essays in diverse bladen: in Senior, (vaktijdschrift voor de ouderensector), De Zwolse Courant en Dagblad Trouw en andere. Ook werkte zij mee aan twee boeken. De laatste tijd was zij veel bezig over opvoeding, eerwraak en de gevolgen van het halen van een partner uit het land van herkomst.
 
Dat zij een bijzondere band had met Maria, met Hasrette Maryam, zoals zij haar noemt, blijkt uit haar column en blijkt ook uit het aandoenlijke verhaal dat haar echtgenoot plaatste op de website van Katholiek Nederland http://www.katholieknederland.nl/maria/mijnmaria/bekijken.php?inzending=270&pagina=1&sorteer=1
Moge zij rusten in vrede.