Getuigenissen
 
Twee jaar terug ben ik in Noorwegen geweest, en op de terugreis hadden we noodweer. Het schip slingerde, alles viel om, en ik ben van mijn leven nog nooit zo bang geweest. Ik heb voor mijzelf het lied staan neuriën, en opeens stond er een vrouw naast mij, en ik vertelde in het engels dat ik zo bang was, en zij stelde mij gerrust: het kon nog veel erger. Zondag, toen ik thuiskwam en naar de kerk ging, werd het lied gespeeld van O sterre der zee. Ik had echt kippenvel. Voor mij was dit een wonder.
Jeanne, 15 februari 2006
jvlh@kabelfoon.nl
 
'Staar vaan mien zie'
 
Op de weg van noord naar zuid is het nergens zo licht als in de Maastrichtse kapel van Onze Lieve Vrouw Sterre der Zee. In de kapel troont boven talloze kaarsjes een vijftiende-eeuwse Duitse Schone Madonna. Ze staat daar gekleed in een wijde mantel. Tegen de wand ernaast hangt een gebed dat de gelovigen in stilte kunnen bidden: 'O Maria, Sterre der Zee, zie mij hier neer-geknield voor uw genadetroon'; in het Maastrichts: 'Och Merie, Staar vaan mie zie, zuug miech hei noe zitte te beie op m'n kneje veur Diene genadetroen'. Ik steek een kaarsje op, samen met mijn zoon die in Maastricht studeert. Zijn dispuut viert de ontmoetingsdag van de studerende zonen en hun vaders. We speelden een wedstrijd tegen elkaar waarbij ik met het luchtdrukpistool acht keer naast de roos en zelfs naast het blaadje schoot. Mijn handen trilden, maar niet hier bij het aansteken van de kaarsjes. Meer in geoefend misschien? Kan zijn. De Lieve Vrouw kijkt me goedertieren aan, het kindje heeft nog meer oog voor de vrucht in moeders hand. Vindt Hij mijn geloof nog wat aan de lichte kant, zoals dat van die negen melaatsen die vandaag niet terugkomen om Hem te bedanken voor hun genezing? Ik weet het niet, ik richt me maar even op zijn moeder. Als alles hier zou veranderen in zee en de basiliek zou een stoomboot worden en de tafeltjes op het Onze Lieve Vrouweplein zouden veranderen in kleine barkjes, ik zou als drenkeling die niet zwemmen kan - O Sterre der Zee, Staar vaan mien zie -onder haar hoede vast een veilig scheepje vinden. Ik ga naar buiten en knipper niet met mijn ogen. Na zo veel licht daarbinnen kan het licht van de zon mij niet deren. Mijn handen trillen nog steeds niet. Ik ben in goed gezelschap geweest. Ik ben beter.
 
Adri Bosch, Van avondland en licht
in: Werkboek Weekendliturgie, 2007, p. 866-867.