geschiedenis van het beeld

 

Geschiedenis van het beeld van de 'Sterre der Zee'
 
sterrerood.jpg (81681 bytes)
harlaer.jpg (17608
    bytes)Het genadebeeld van Onze Lieve Vrouw 'Sterre der Zee', dat zich tegenwoordig bevindt in de Basiliek van Onze Lieve Vrouw Tenhemelopneming, behoorde van oorsprong toe aan de paters Minderbroeders van de Sint-Pieterstraat. De Minderbroeders waren vurige Maria-vereerders, en het is dus niet verwonderlijk dat zij, vermoedelijk omstreeks 1470, de schenking van een Mariabeeld aanvaardden van de edelman Nicolaus van Harlaer, toen deze op latere leeftijd bij hen intrad.
    Het Mariabeeld is een houten beeld, van Duitse makelij, volgens de klassieke voorstelling van een "Schöne Madonna", op stijlkenmerken te dateren circa 1410: een staande Maria, die een bloot Jezuskindje op de linkerarm draagt, dat de handjes uitstrekt naar een vrucht die Maria in de rechterhand draagt, een appel, een peer of een druiventros; bij het Maastrichtse beeld was dit waarschijnlijk een peer. Rond het "miraculeuze" beeld van de Minderbroeders ontstond een grote volksdevotie, die zelfs de verering van Sint Servaas begon te verdringen. Op Paasmaandag 1532 schijnt het beeld voor het eerst te zijn meegedragen in processie.
    Al snel werd dit beeld, naar Zuid-Europese, Spaanse mode, bekleed met een wijde kegelvormige mantel, waardoor de iconografie ook aangepast moest worden: de vrucht die Maria draagt werd afgezaagd tot een soort houder voor een lelie, en het blote Jezuskindje kreeg een mantel aan (daarvoor werd hem een armpje afgezaagd) en een kroon op het hoofd (die het oorspronkelijke beeld niet had).
sterremetkindje.jpg (83171 bytes)
Oorspronkelijke iconografie van het beeld van de Sterre der Zee: Maria draagt het blote kindje Jezus op de arm, die zijn hand uitstrekt naar een peer.
prentje1697.jpg (30928 bytes)
Prentje, kopergravure 1697, met het beeld van de Sterre der Zee in een wijde barokke mantel, waardoor de oorspronkelijke betekenis van de iconografie verloren gaat.
    Het Mariabeeld van de Franciscanen kwam in het middelpunt te staan van een vurige verering door het volk van Maastricht. Er vonden regelmatig gebedsverhoringen en wonderbaarlijke genezingen plaats, waardoor de devotie sterk werd aangewakkerd. De bloeiperiode van de verering was zonder twijfel de Spaanse periode, tussen de inname van de stad in 1579 en de sluiting door de Staten Generaal van het klooster van de Minderbroeders in 1639. Een serie wonderbaarlijke genezingen deed de bedevaartgangers met grote aantallen de weg naar het Franciscanenklooster vinden. Vooral de processie op Paasmaandag kende een zeer groot succes: in 1611 telde men 19 à 20.000 pelgrims. Deze processie werd de voorloper van de heden nog bestaande bidweg .
 
verraad.jpg (31569 bytes)
Terechtstelling van de veroordeelden voor het zogenaamde "verraad van Maastricht" in 1638.
    Nadat in 1632 de stad Maastricht door de Staten Generaal was ingenomen, ontdekte men in 1638 het zogenaamde "verraad" van pater Vink en de zijnen, die gespioneerd zouden hebben voor de Spanjaarden. Ze werden gearresteerd, gemarteld en onthoofd, en hun hoofden op vijf staken gestoken op het bastion dat sindsdien "de Vief Köp" heet. De kloostergebouwen van de Franciscanen werden in beslag genomen, en de paters in 1639 uit de stad verdreven.
sterreonderweg.jpg (18689
    bytes)    Na een kort verblijf bij de zusters Annunciaten in Wyck, werd het miraculeuze beeld van Onze Lieve Vrouw meegenomen naar het klooster Slavante op de Sint-Pietersberg, en later naar het klooster van de Minderbroeders in Tongeren. Tijdens het zogenaamde "Frans Intermezzo" (1673-1678) konden de Franciscanen met het beeld weer terugkeren naar Maastricht, en in 1675 werd het geplaatst in de (niet meer bestaande) Sint-Jacobskapel (op de hoek van het Vrijthof en de Bredestraat). Na de Vrede van Nijmegen, in 1678, kregen de Franciscanen nog enige tijd de beschikking over een gedeelte van hun oude kloostergebouwen, waar een noodkapel werd ingericht. Toen zij in 1700 hun nieuwe klooster met kloosterkerk betrokken op de Kaekeberg, de "Minderbroedersberg", werd daar ook het genadebeeld geplaatst.
    Ten tijde van de korte terugkeer van het beeld aan de Sint-Pieterstraat, rond het jaar 1700, kreeg het beeld de benaming 'Sterre der Zee' (stella maris). De titel 'Sterre der Zee' is afkomstig van de H. Hiëronymus, de kerkvader die de Latijnse Vulgaatvertaling van de Bijbel bezorgde. Op zoek naar de betekenis van de naam 'Maria', Mirjam in het Hebreeuws, las hij de naam als een combinatie van de twee Hebreeuwse woorden mar 'druppel', en jam 'zee', dus 'druppel van de zee', in het Latijn stilla maris. 'Stilla maris' werd al snel verbasterd tot stella maris, 'sterre der zee', en als zodanig kwam deze titel terecht in de Litanie van Maria. De Mariatitel Stella Maris komt dus eigenlijk voort uit een leesfout. In de Middeleeuwen was deze eretitel van Maria zeer geliefd. Wij danken er onder andere de mooie gregoriaanse hymne Ave Maris Stella aan. De benaming 'Sterre der Zee' voor het genadebeeld van de Franciscanen werd echter pas in 1701 voor het eerst gebruikt, en wel ter herinnering aan een wonder dat in 1684 plaatsgehad zou hebben. Een edelman zou op zee in een storm terecht zijn gekomen, en zou de belofte gedaan hebben, als hij het gevaar zou overleven, een altaar te stichten voor het Mariabeeld van de Franciscanen van Maastricht. Op het eerste gezicht zou men denken aan een vrome legende, maar de edelman heeft echt bestaan. Het is een Brussels edelman, François II van Kinschot (1616-1700), graaf van Sint-Pieters-Jette en baron van Rivieren (ten westen van Brussel), gehuwd met Anna Charlotte van Berghe genant Trips, die op zee in een storm terecht kwam, Maria aanriep met het beeld van de Madonna van de Minderbroeders voor ogen, en beloofde bij veilige thuiskomst een altaar voor het beeld van de Minderbroeders te financieren. Toen hij de storm had overleefd, en behouden was thuisgekomen, kwam hij zijn belofte na, en liet in de Franciscanenkerk een altaar bouwen waar het Mariabeeld een plaats op kreeg. Dit zou de aanleiding zijn geweest om het Mariabeeld voortaan 'Sterre der Zee' te noemen.
    In 1796 werden door de toenmalige Franse overheid alle kerkelijke instellingen en kloosters opgeheven, en hun goederen in beslag genomen. Enkele broedermeesters van de Broederschap van de Sterre der Zee hebben toen, met medeweten van de paters Franciscanen, het beeld uit de kerk "gestolen", en ondergebracht op achtereenvolgens twee particuliere adressen, bij broedermeesters thuis: Maastrichter Brugstraat 6, en Tongersestraat 64. Op 31 maart 1804 werd het beeld, met toestemming van de Franciscanen, door bisschop Zaepffel van Luik toegewezen aan de Sint-Nicolaasparochie (de voorloper van de Onze Lieve Vrouw), en overgedragen aan pastoor Partouns en aan het kerkbestuur van de parochiale kerk van Sint-Nicolaas, echter onder de uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde dat het beeld teruggegeven zou worden aan de Franciscanen, wanneer dezen in Maastricht weer een klooster zouden bouwen. Het beeld werd geplaatst in de Sint-Nicolaaskerk (op de plaats van het huidige Hotel Derlon), en verhuisde op 10 oktober 1837, mét heel de parochie, naar de Onze Lieve Vrouwekerk, die toen pas door het Ministerie van Oorlog aan het kerkbestuur was verkocht, nadat het sinds de Franse tijd een militaire bestemming had gehad, onder andere als militaire smederij! De Sint-Nicolaaskerk werd toen bouwvallig verklaard en afgebroken.
    In 1853 vestigden de Franciscanen zich wederom in de stad Maastricht, en in 1859 werden hun kerk en klooster aan de Tongersestraat ingezegend. De Franciscanen vonden het nu tijd hun miraculeus beeld terug te eisen, en hun gardiaan, Theodorus Peters, deed in de jaren 1864-1865 verwoede en herhaalde pogingen  bij pastoor Raetsen van de Onze Lieve Vrouwekerk en bij het kerkbestuur, om het beeld weer terug te krijgen, conform de voorwaarden in de akte van 1804. De Franciscanen hadden in hun archief echter geen authentiek exemplaar meer van de overeenkomst, en de pastoor hield zich van de domme. De Franciscanen gingen hogerop, maar bisschop Paredis wenste geen conflicten in zijn bisdom, en verzocht de Franciscanen de zaak te laten rusten.
    En zo komt het dat het beeld van Onze Lieve Vrouw "Sterre der Zee" nog altijd in de Onze Lieve Vrouwekerk van Maastricht staat. Daar stond het opgesteld in het noordertransept, op de plaats van het huidige Sint-Jozefaltaar. In 1903 werd het beeld overgebracht naar de Mérode-kapel, waar het zich nog altijd bevindt.
Het beeld van de Sterre der Zee wordt momenteel bekleed met verschillende mantels. De nieuwe blauwe mantel wordt gedragen bij plechtige feestdagen. De oude blauwe mantel wordt gedragen door het jaar, de rode mantel op lagere feestdagen en in de Paastijd. In de Vastentijd en in de Advent draagt het beeld géén mantel; dit is dan ook de meest oorspronkelijke verschijningsvorm van het beeld. In de Vasten en de Advent zijn de luiken van het retabel van het altaar van de Sterre der Zee gesloten.
 
Gedetailleerde informatie over de geschiedenis van het beeld is te vinden in het boek van pater Beda Verbeek, De geschiedenis van de Sterre der Zee te Maastricht tot 1804 ('s-Hertogenbosch 1937). Voor de geschiedenis van het beeld in de Franse Tijd (1796-1904) aan te vullen door: Régis de la Haye, Onderduikadressen voor de Sterre der Zee in de Franse tijd, in: De Maasgouw 123 (2004), p. 87-96.

This Web Page Created with PageBreeze Free HTML Editor