-
-
-
- Hier begon het
christendom in Nederland
-
-
-
- Maastricht in de 4e
eeuw.Tekening van K. Wilson.
-
-
- De geschiedenis van Maastricht gaat terug tot
de 1e eeuw vóór Christus. De stad is ontstaan op een natuurlijke
oversteek van de Maas, en dankt daar ook zijn naam Traiectum, 'oversteekplaats', aan. Al in
de 1e eeuw na Christus wordt een brug gebouwd, en in de 4e eeuw komt
er een castrum, een versterkte
legerplaats.
- Ergens op het einde van de 4e eeuw
leefden in Maastricht de eerste christenen van het huidige Nederland.
Enkele grafstenen, gevonden rond en in de Sint-Servaaskerk, daterend
uit het einde van de 4e of uit het begin van de 5e eeuw, zijn de
oudste getuigenissen van christelijk leven in Maastricht, en daarmee
in heel Nederland. Ze tonen aan dat er rond het jaar 400 al een
christelijke gemeenschap bestond in Maastricht.
-
-
- Sint
Servatius
-
-
- Het
begin van de kerstening van onze regio moet hebben plaatsgehad in de
eerste helft van de 5e eeuw. In het midden van die eeuw is het
christendom al zo ingeburgerd, dat er zich een bisschop in Maastricht
vestigt, Servatius, "bisschop van de Tongeren". Hij komt er ook te
overlijden. Zijn overlijdensdag komt uit de liturgische traditie: 13
mei is namelijk het oude feest van Allerheiligen. Het overlijdensjaar
is niet bekend. Het moet rond 450 geweest zijn. Het waren troebele
tijden. Heel West-Europa was gegrepen door de angst voor de Hunnen,
een Oost-Europees volk, dat West-Europa zou binnenvallen. De Hunnen
kwamen inderdaad, rond 450, maar bisschop Servatius was kort daarvóór
overleden.
- Servatius werd begraven op het
oude Romeinse kerkhof, net buiten de stad, langs de oude Romeinse weg
naar Tongeren. Hij was zo geliefd bij de mensen dat zijn graf spontaan
uitgroeide tot een plaats van verering en bedevaarten. Men bouwde een
houten kapelletje op zijn graf, en later een stenen kerk.
-
- Ruim
een eeuw later, tegen het einde van de 6e eeuw, hoorde bisschop Gregorius, in de
Gallische stad Tours, de verhalen over de toeloop van gelovigen op
het graf van Sint Servaas. Hij nam de verhalen op in de kronieken
die hij aan het schrijven was, de Historiën, ook wel genoemd de Geschiedenis der Franken, en de Glorie van de
Belijders. Ten tijde van de invallen van de Hunnen onder
Attila, zo schreef Gregorius, leefde een bisschop Servatius. Deze
reisde naar Rome om daar, door gebed op het graf van Petrus, te
proberen de dreiging van een inval af te wenden. Maar er werd hem
duidelijk gemaakt door de apostel Petrus, dat de stad Tongeren door de
Hunnen verwoest zou worden. Toen Servatius in Tongeren terugkwam,
kondigde hij het slechte nieuws aan, nam hij afscheid van de burgers,
en vertrok hij naar Maastricht, waar hij kort daarna overleed. Hij
werd begraven langs de toenmalige Romeinse weg, op het grafveld dat
heden het Vrijthof is. Op zijn graf gebeurden veel wonderen. Men
bouwde een kerkje van houten geschaafde planken. Maar dat kapelletje
stortte herhaaldelijk in, of het waaide om. Pas onder bisschop
Monulfus, bijna anderhalve eeuw later, werd een grote kerk gebouwd.
- Heel lang is dit de enige
berichtgeving over Sint Servaas geweest. Heel de latere legende is dan
ook gegroeid uit de korte berichten van Gregorius van Tours, die in de
loop der eeuwen alsmaar verfraaid werden en opgeblazen werden tot een
schitterende legende.
-
- Een
eeuw eerder leefde er ook een bisschop Servatius. Deze bisschop
wordt door de kroniekschrijver Sulpicius Severus één keer Servatius Tungrorum (Servatius van de
Tongeren) genoemd. Op grond hiervan werd hij in de 17e eeuw vereenzelvigd met de figuur van
Servatius uit de Historiën van Gregorius
van Tours. Deze 4e-eeuwse bisschop
speelde een bescheiden rol in de discussies, die in de 4e eeuw woedden over de theologie van de
Heilige Drieëenheid. Hij wordt vermeld tussen 343 en 359, een
periode waarin nog lang geen sprake is van christendom in onze
contreien. Deze Servatius uit de 4e
eeuw is dus een andere dan de Servatius uit de 5e
eeuw, degene waar Gregorius van Tours over spreekt. Men heeft lang
gedacht dat deze twee bisschoppen identiek waren.
-
-
- De bisschoppen van
Maastricht
-
-
- Na Servatius is Maastricht twee en een halve eeuw
lang bisschopsstad geweest. Sinds Lambertus en Hubertus zetelen de
bisschoppen in Luik, waar zij sindsdien zijn gebleven.
- De middeleeuwse legendeschrijvers
hadden een prachtige geschiedenis opgesteld over de bisschoppen van
Tongeren, Maastricht en Luik. Tien bisschoppen zouden hebben gezeteld
in Tongeren, en 21 in Maastricht. Maar de bedoeling van de toenmalige
kroniekschrijvers was niet de geschiedenis kritisch weer te geven,
maar veeleer de bisschoppenlijst van Tongeren-Maastricht-Luik zo
ver mogelijk in de geschiedenis terug te voeren, en vooral terug te
voeren tot de tijd der apostelen. Een oude bisschopszetel, waarvan de
stichting terug te voeren was tot de apostelen, stond namelijk in
hoger aanzien dan een jongere zetel. In feite komen de getallen 10 en
21 uit de middeleeuwse getallensymboliek, en hebben ze geen enkele
historische waarde.
- Natuurlijk hebben de samenstellers
van de bisschoppenlijst niet alleen hun fantasie gebruikt. Ze hebben
zich wel degelijk de moeite getroost om een zo nauwkeurig mogelijke
lijst op te stellen. Maar wanneer wij heden ten dage de lijst kritisch
beoordelen, vallen veel namen af. Allereerst die van de tien
bisschoppen van Tongeren, voor wie geen enkel historisch bewijs
bestaat. En van de 21 legendarische bisschoppen van Maastricht blijft
er na kritisch onderzoek slechts een tiental over. De hier volgende
tien bisschoppen van Maastricht zijn historisch bewezen:
- Ongeveer vijftig jaar na Servatius had Maastricht als bisschop een
zekere Martinus, die later in de
liturgie 'Martinus van Tongeren' genoemd wordt. Over deze bisschop
is niets bekend, behalve dat hij door de liturgie als heilig wordt
beschouwd, dat zijn feestdag gevierd werd op 21 juni, dat zijn
relieken berusten in de Noodkist in de Sint-Servaaskerk, en dat die
relieken volgens C14-datering uit circa 500 dateren. Hij heeft dus
bestaan. In de Noodkist berusten ook nog de relieken van Candidus en Valentinus, waarover in het geheel niets
bekend is, behalve dat ze een kerkelijke feestdag hebben, dat hun
relieken bewaard en vereerd zijn gebleven. Ze hebben dus kennelijk wel
degelijk bestaan, en we kunnen ze ook naar alle waarschijnlijkheid
beschouwen als bisschoppen van Maastricht.
- Historische tekstbronnen
hebben we pas weer in het begin van de 6e eeuw, met bisschop Falco, die bekend is uit een
brief van de H. Remigius, bisschop van Reims, waarin deze zich stoorde
aan het feit dat Falco in zijn bisdom, namelijk in Mouzon (in het
huidige Noord-Frankrijk, aan de Maas) priesters wijdde.
- Domitianus nam deel aan
twee concilies, in 535 en 549. De beenderen van deze bisschop
berusten in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Hoei (België). Ze zijn
eveneens wetenschappelijk met C-14 gedateerd in de betreffende
periode in de 6e eeuw.
- En dan komt de bekende
bisschop Monulfus, de bouwer van de
eerste stenen kerk op het graf van Sint Servaas, bekend uit de
geschriften van Gregorius van Tours. Met zijn opvolger Gondulfus,
die altijd in één adem genoemd wordt met Monulfus, ligt het iets
moeilijker. Hij is wellicht identiek met "Bettulfus", de bisschop van
Maastricht die in 614 deelneemt aan het concilie van Parijs.
- Amandus, een van de meest populaire heiligen uit de Zuidelijke
Nederlanden, is vooral bekend als geloofsverkondiger in Henegouwen.
Hij was slechts drie jaar bisschop van Maastricht, van einde 648 tot
einde 651. Ontmoedigd door de slapte van de clerus van Maastricht, nam
hij ontslag.
- Remaclus, bisschop-monnik, kwam uit het zuiden van Frankrijk. Hij
was de eerste abt van Solignac, bij Limoges, en stichtte in onze regio
de abdij Stavelot-Malmedy, een abdij die vaste banden onderhield met
het bisdom Maastricht. Na een aantal jaren het bisschopsambt vervuld
te hebben, deed Remaclus circa 670 afstand van zijn functie.
- Hij werd opgevolgd door Theodardus. Deze Theodardus werd vermoord.
De rij der Maastrichtse bisschoppen wordt afgesloten met Lambertus en Hubertus.
-
|
- Lambertus en Hubertus.
Glas-in-loodraam van de absis van de Onze Lieve Vrouwekerk,
door Daan Wildschut, ca. 1952.
|
-
- De H. Lambertus staat in de geschiedschrijving
bekend, enerzijds als de enige authentieke Maastrichtse heilige,
anderzijds als de laatste bisschop van Maastricht. Hoewel Lambertus
leefde in de tweede helft van de 7e
eeuw, is hij ons zeer goed bekend, dank zij zijn oudste
levensbeschrijving, daterend uit het begin van de 8e eeuw, geschreven door
een tijdgenoot kort na zijn dood. Deze waardevolle biografie verstrekt
ons de best mogelijke en de meest betrouwbare informatie.
- Lambertus
was een geboren en getogen Maastrichtenaar. Hij werd opgeleid in aula regia (in het koninklijk paleis), onder het toezicht van
bisschop Theodardus, die hij na diens dood circa 670 ook als bisschop
van Maastricht opvolgde. Lambertus stamde dus uit hoge merovingische
kringen, en uit heel zijn levensbeschrijving blijkt dat hij de
Karolingers, beschouwd als usurpatoren, geen warm hart toedroeg.
Tengevolge van de politieke verwikkelingen na de dood van Childerik
II, in 675, werd hij uit zijn ambt ontzet, en besteeg de tegenbisschop
Faramundus de Maastrichtse zetel. Lambertus trok zich terug in het
klooster Stavelot, waar hij zeven jaar lang verbleef.
- Zijn oudste levensverhaal verhaalt
ons over het verblijf van Lambertus te Stavelot slechts één anecdote.
Het gebeurde vaak dat Lambertus midden in de nacht opstond om te gaan
bidden, maar hij liet eens per ongeluk een sandaal op de grond van de
slaapzaal vallen. De monniken werden in hun slaap gestoord, en vader
abt, die in het donker niet kon zien wie de veroorzaker van het tumult
was, riep: "De lawaaimaker gaat onmiddellijk naar het kruis!" Met
slechts één pij aan en blootsvoets ging Lambertus naar de hem bevolen
plaats, een stenen kruis in de kloostertuin. Het was hartje winter en
het vroor. Lambertus bleef daar de hele nacht met uitgestrekte armen
psalmen bidden. Maar God was zijn dienaar genadig, en deed die dag de
haan vroeger dan gebruikelijk kraaien. Toen de medebroeders opgestaan
waren, zei de abt: "Zijn alle broeders er?" Eén van hen zei hem: "Ik
hoorde u vannacht iemand naar het kruis sturen, maar ik weet niet wie
het was." Toen holde één van de monniken naar binnen en riep:
"Lambertus is heel de nacht blootsvoets voor het kruis gebleven!" –
"Ga hem snel halen," zei de abt. De monniken snelden naar buiten. Het
hoofd en de schouders van Lambertus waren geheel met sneeuw bedekt.
Terstond werd een warm bad voor hem klaargemaakt.
- Na verloop van zeven jaren, dus
circa 682, werd de tegenbisschop Faramundus op zijn beurt afgezet en
verbannen, en kon Lambertus, dank zij de politiek van Pepijn, weer
terugkeren in zijn ambt en in zijn eigen stad Maastricht. Lambertus
resideerde dus nog in Maastricht in 682. In de rest van zijn leven
blijkt Lambertus niet meer in Maastricht te resideren. Bij zijn moord
woont hij in Luik, waar hij er met enkele dienaren en volgelingen een
monastieke levenswijze op na hield, in gebed en meditatie. Daar vond
hij de dood, gelegen op zijn bed, in zijn kamer, waar hij wat rust nam
na het nachtofficie. Luik was dus klaarblijkelijk tegen het einde van
zijn leven zijn vaste woonplaats.
- De moord op Lambertus was het
gevolg van een vendetta tussen machtige families in de regio, een
machtstrijd tussen de oude families die aan de kant van de Merovingers
stonden, rondom Childerik II, die toen in Maastricht resideerde, en de
nieuwe families die opkwamen rondom de Pepiniden. In deze machtsstrijd
gebeurde op een dag een vervelend incident: twee leden van de familie
waarmee de familie van Lambertus in conflict was, werden vermoord
door aanhangers van Lambertus. Als wraakoefening trokken aanhangers
van die familie naar Luik, om wraak te nemen op de familie van
Lambertus. Ze omsingelden het huis. Lambertus' dienaren werden
omgebracht en Lambertus zelf werd gedood door een handlanger die op
het dak gekropen was en hem met een lans doorboorde. Zijn stoffelijk
overschot werd overgebracht naar de bisschopsstad Maastricht, en
Lambertus werd begraven in de Sint-Servaaskerk.
- Het
bericht over de marteldood van Lambertus is ook de eerste schriftelijke vermelding van Luik.
Zijn episcopaat had, naar de vermelding in de Vita Hubertus, de levensbeschrijving van zijn
opvolger, bisschop Hubertus, veertig jaar geduurd. Zijn dood moet gedateerd
worden in 705.
-
- Al snel na
zijn dood werd Lambertus in Luik als martelaar vereerd. Hubertus
, die vroeger zijn leerling was
geweest, werd tot zijn opvolger gekozen. Hubertus heeft nooit in
Maastricht, maar altijd in Luik geresideerd. Na twaalf jaar zijn
ambt uitgeoefend te hebben verhief Hubertus het lichaam van Lambertus, dat
rustte in Maastricht, en bracht het over naar de plaats van de moord. Een
verheffing van de relieken of elevatio
(relevatio) gold in die tijd als een heiligverklaring. In het
dertiende jaar van zijn episcopaat, dus in 718, ging Hubertus met een
grote menigte gelovigen, clerici, priesters en bisschoppen, naar de
stad waar het stoffelijk overschot van zijn voorganger rustte.
Bisschop Hubertus trok in een grote en plechtige processie te voet van
Luik naar Maastricht. Hij ging er het gebeente van zijn voorganger, de
vermoorde bisschop Lambertus, opgraven en "verheffen", dat wil zeggen
heiligverklaren. Toen de stoet van Maastricht naar Luik terugging, via
Nivelle en Herstal, gebeurden er allerlei wonderen. Voor de
Middeleeuwers was dat het teken dat de heilige zelf meetrok en zijn
volk goed gezind was. In Luik werden de resten van Lambertus bijgezet
in de nieuwe kerk die Hubertus al vóór 714 had laten bouwen ter ere
van zijn voorganger, op de plaats van diens moord, de latere
Sint-Lambertuskathedraal.
- De overbrenging van het gebeente
van zijn heilige voorganger was voor bisschop Hubertus niet alleen een
persoonlijke devotie ten aanzien van zijn voorganger in het ambt,
bisschop Lambertus, maar was ook "kerk-politiek" van groot belang. Het
bezit, in de bisschopskerk, van de relieken van de plaatselijke
heilige, de heilige voorganger van de bisschop, gold als een sacrale
legitimatie. De Luikse bisschop ontleende er mede zijn gezag en macht
aan. Bovendien legitimeerde Hubertus, door de overbrenging van de
relieken van de heilige bisschop-martelaar Lambertus, de feitelijke
verplaatsing van de bisschopszetel naar Luik. De overbrenging van de
relieken van Maastricht naar Luik werd in de Middeleeuwse liturgie
gevierd als het feest van de Translatie van Lambertus.
- Met deze "translatie", het
overbrengen van de relieken van Lambertus naar Luik, was het voor
Maastricht als bisschopsstad definitief gedaan. Hubertus heeft altijd
in Luik gezeteld, en ook zijn opvolgers zijn nooit meer teruggekomen
in Maastricht.
-
- Hubertus is ook één van de eerste bisschoppen van wie
iets meer bekend is over zijn methoden van missionering en
evangelisatie. Niet alleen voorzag hij door te vissen in de Maas in
zijn eigen levensoverhoud, hij trok ook de Ardennen in, naar Taxandrië en Brabant,
predikte het woord van God en doopte. Proprio sudore, naar de uitdrukking van zijn
eerste biograaf, "in zijn eigen zweet" bouwde hij kerken. Op één van
zijn missiereizen kwam hij te overlijden, naar men aanneemt in
Tervuren, tussen Leuven en Brussel, op 30 mei 727. Hij werd begraven
in de Sint-Petruskerk in Luik, waar hij op 3 november 743 "verheven"
werd. De datum van 3 november werd aldus zijn kerkelijke feestdag.
-
- Het spreekt vanzelf dat alle bisschoppen van
Maastricht als heiligen werden beschouwd. Heiligverklaring, zoals
tegenwoordig gebruikelijk, kende men nog niet. Vroeger gebeurde dat
door "verheffing": het gebeente van de heilige werd uit diens graf
opgegraven en in een reliekenkist geplaatst. Deze reliekenkist werd
doorgaans onder het altaar geplaatst. Zo'n "verheffing tot de eer der
altaren" was de feitelijke heiligverklaring.
-
-
-
- Lambertus, de
enige Maastrichtse heilige
-
-
-
- Lambertus werd dus als
martelaar herdacht. Zijn feest viel op 17 september. In het begin
van de 10e eeuw schreef bisschop Stefanus van Luik
(901-920), een nieuwe vita van Lambertus, maar ook een nieuw kerkelijk
officie. De nieuwe levensbeschrijving was inhoudelijk gelijk aan de
eerste. Een aantal zinnen uit de vita is ook letterlijk in het officie
gebruikt. Bisschop Stefanus is verder van belang geweest omdat hij
niet alleen een nieuw officie voor bisschop Lambertus samenstelde,
maar ook een nieuw officie voor zijn eigen patroonheilige Stefanus, en
voor de Heilige Drieëenheid, het feest dat hij toentertijd als eerste
in de katholieke kerk invoerde. Een en ander toont aan dat in Luik,
dat in de tiende eeuw het "Athene van het Noorden" genoemd werd, de
culturele intelligentsia aanwezig was, die de benodigde literaire en
musicologische kennis bezat om een liturgisch officie samen te
stellen.
-
- Maar was Lambertus wel een "echte" martelaar, dat wil
zeggen een heilige die is omgebracht omwille van het geloof? Wanneer
men zijn oudste levensverhaal kritisch leest, ziet men dat dit
eigenlijk niet het geval was. Dit moet Sigebert van Gembloux, die
leefde op het einde van de 11
e eeuw
(† 1112), benedictijner monnik van Saint-Pierre de Gembloux, ook
begrepen hebben. Hij geeft in zijn werk aan de Lambertusvita een
geheel nieuwe draai. Zoals andere auteurs in zijn tijd ook wel doen,
brengt hij in de levensbeschrijving nieuwe elementen binnen die er
tevoren niet in voorkwamen. Zo geeft hij als plaats van oorsprong
van de ouders van Lambertus Wintershoven aan, waar zij bezittingen
gehad zouden hebben. Hij voegt ook de ontdekking van het graf van
Landrada toe. Maar vooral, hij introduceert in de legende ook het
relaas van de verwikkelingen rondom Pepijn en Alpaïs. Pepijn zou
hebben samengewoond met Alpaïs, en Lambertus zou hem daarover een
openlijk verwijt hebben gemaakt. De reden van Lambertus’ marteldood
wordt nu een geheel andere dan in de oudste levensbeschrijvingen
.
De
moord op Lambertus had in de oudste levensbeschrijving geen
verdediging van het geloof of de goede zeden als achtergrond, maar
was, zoals gezegd, het gevolg van een vendetta tussen machtige
families in de regio, een machtstrijd tussen de oude families die aan
de kant van de Merovingers stonden, rondom Childeri k II, en de nieuwe families
die opkwamen rondom de Pepiniden. Met dit verhaal nam men in de
12
e eeuw geen genoegen meer, en
daarom moest Sigebert van Gembloux bisschop Lambertus een geheel nieuw
levensverhaal aanmeten.
-
-
-
-
-
Hubertus was geen
patroon van de jagers
-
-
-
-
Hubertus wordt in de iconografie altijd
afgebeeld met een hert, dat een kruis in het gewei draagt. Maar deze
afbeelding gaat terug op een late legende. Hubertus, een verwoed
jager, zou eens, op een Goede Vrijdag, een verschijning hebben gehad
van een hert met een kruis in het gewei. Onmiddellijk bekeerde hij
zich. En zo werd Hubertus de patroonheilige van de jagers!.. In
werkelijkheid is het motief van de verschijning van een hert met een
kruis in het gewei ontleend aan de H. Eustachius (bijvoorbeeld op
een glas-in-lood-raam in de kathedraal van Chartres), die zijn
feestdag had op 2 november, één dag vóór Hubertus, 3 november. Door
contaminatie, pas in de 15
e eeuw ontstaan tengevolge van de
onmiddellijke nabijheid van beide feesten, is het motief van de ene op
de andere heilige overgegaan.
- Eigenlijk had men, als men toch op
zoek was naar een typische afbeelding uit het leven van de H.
Hubertus, hem als visser moeten afbeelden. Toen Hubertus eens in
Nivelle, onder Maastricht verbleef, ging hij vissen in de Maas. Hij
bond zijn kleren samen, en nam plaats in een boot. Er moesten palen in
de rivierbodem geslagen worden. Toen Hubertus met zijn hand een paal
vasthield, sloeg één van zijn dienaren per ongeluk met de opgeheven
hamer, die hij niet meer kon tegenhouden, op zijn hand. Hubertus had
zijn vingers gebroken.
- De volgende ochtend ging het
vissen weer door. Toen al zijn dienaren in de boot waren, begon het te
stormen. Een hoge golf sloeg op het bootje neer. Midden op de rivier
brak het in tweeën, en zonk. Alle inzittenden vielen in het water.
Toen Hubertus dit zag, sloeg hij zijn ogen ten hemel en bad: « Gij,
Heer Jezus Christus, aan wie de zee en de wind gehoorzamen, wiens
voeten gewichtloos over het water liepen, wiens Geest in den beginne,
nog vóór de schepping van het licht, over de wateren zweefde, ik smeek
U, strek Uw rechterhand naar ons uit ».
- Een van de dienaren ging kopje
onder, en bleef met zijn kleren aan een paal vastzitten. Tot drie maal
toe trok hij eraan, maar het kwam niet los en bleef vasthaken. In
doodsangst, onder water, zei hij een gebed: « Heer, help mij omwille
van de verdiensten van Hem die de zee en het droge geschapen heeft ».
Onmiddellijk kwam hij los, kon tussen twee staken ontkomen, en
bereikte al zwemmend de oever. Allen brachten ze het er levend van af.
-
-
-
- De Onze
Lieve Vrouwekerk
-
-
-
- De oudste geschiedenis van de
Onze Lieve Vrouwekerk van Maastricht is in nevelen gehuld. Tot in de
11e en de 12e eeuw, toen de Servaaskerk al
een hoge bloei beleefde, is de documentatie van de Onze Lieve
Vrouw nog uiterst summier. Er zijn maar enkele schriftelijke vermeldingen
van vóór de 11e eeuw, en archeologisch onderzoek is tot
nu toe slechts verricht rondom de kerk, maar nog nooit binnen de Onze
Lieve Vrouwekerk. Toch weten we dat de Onze Lieve Vrouwekerk de
bisschopskerk is geweest van de bisschoppen van Maastricht,
tussen de 5e en de 8e eeuw,
- De ligging
van de Onze Lieve Vrouwekerk binnen het castrum komt
namelijk geheel overeen met het elders in Gallië bekende schema. De
kerk is gebouwd binnen het castrum, aan de
rand ervan, tegen de stadsmuur. Bovendien is de Onze Lieve Vrouw
gebouwd op de plek (of in ieder geval pal ernaast) van het oude
Romeinse heiligdom (opgraving Derlon). Deze ligging kan wijzen op een
kerk die het 'heidense' heiligdom heeft vervangen, maar we weten het
niet zeker.
De achtermuur van het Romeinse heiligdom is onlangs bij de
opgravingen in de pandtuin van de Onze Lieve Vrouwekerk
teruggevonden. Op grond van de ligging van de kerk en de bekende
gegevens over de kerstening van de streek moet het ontstaan van de
Onze Lieve Vrouwekerk gedateerd worden in de 5e
eeuw.
- Ook het
Maria-patronaat, dat de Maastrichtse kerk deelt met een aantal
andere Mariakerken, alle uit het oude cultuurgebied van het Maasdal,
de oude civitas van de Tungri (Tongeren, Givet,
Dinant, Luik Notre-Dame-aux-Fonts, Namen, Hoei), of de Karolingische
culturele en religieuze centra (Aken), pleit voor een hoge ouderdom.
Wanneer bij de eerste kerstening een kerk gebouwd wordt, krijgt deze
bij voorkeur het Maria-patrocinium. Een Mariakerk is doorgaans de oudste kerk in een stad
of een regio. In de meeste oude cultuursteden in heel het toenmalige
Gallië is Onze Lieve Vrouw (Notre-Dame) de patroonheilige van de
kathedraal, zoals in Vaison-la-Romaine (waar nog een 6e-eeuwse cathedra staat), in Lausanne, Chartres,
Senlis, Parijs, Noyon, Laon, Reims, Amiens, Coutances, Bayeux, Rouen,
Evreux, Clermont-Ferrand, Doornik, Trier, Straatsburg, Antwerpen,
Breda, om er maar enkele te noemen.
-
- Het
vertrek van de bisschop, en de opvulling van de daardoor
veroorzaakte leemte door de koning, later de Duitse keizer, gaf de
aanzet tot tweedeling van de stad Maastricht, met de twee kerken als
kernen. De kiemen van deze tweedeling zijn al oud. In het begin van
de negende eeuw, bij de Karel de Grote's kroniekschrijver Einhard,
vindt men de eerste vermeldingen van een stedelijke tweedeling in
een familia Sancti Landiberti en een familia Sancti Servacii
.
-
- De Onze Lieve Vrouw is altijd binnen de Luikse
invloedssfeer gebleven. Wanneer Lodewijk het Kind in 908 de kerk van
Luik bevestigt in het bezit van recht van tol en muntslag, gaat het
klaarblijkelijk over "Luikse" rechten. In 1018 wijdt bisschop Balderik
III van Luik de crypte van de Onze Lieve Vrouw in... die overigens
prompt instort. De hoog-middeleeuwse bindingen van de Onze Lieve Vrouw
met de Luikse bisschop, die zich met name uiten in bepaalde
rechtsverhoudingen, zijn overduidelijk, en duren voort tot het einde
van het Ancien Régime.
-
- Kapittelkerk
-
- Over
de religieuze communiteit van de Onze Lieve Vrouw, en het ontstaan
van het kapittel aldaar, is in het geheel niets bekend. Wanneer in
de 11e eeuw elfde
eeuw de eerste berichten komen, is er al een kapittel aan de Onze
Lieve Vrouw verbonden. De eerste vermelding staat in een oorkonde van
1096, waarbij
bisschop Otbert van Luik aan de broeders (fratres) van Onze Lieve Vrouw
twee molens op de Jeker te Maastricht verkoopt, om daarmee de schuld
af te lossen bij Godfried van Bouillon, van wie hij de burcht Bouillon
in de Ardennen had gekocht, en die deel ging nemen aan de Eerste
Kruistocht. Rond 1100 bestond het kapittel uit een proost, Steppo, een
deken, Lambertus, en elf broeders.
- Deze kanunniken vormden een
religieuze gemeenschap, die als voornaamste taak had de plechtige
viering van de liturgie en het onderhouden van het koorgebed. Van
oorsprong leefden de broeders samen in communiteit, ze hadden een
gezamenlijke slaapzaal en eetzaal, maar ze mochten, in tegenstelling
tot monniken, persoonlijk eigendom bezitten, vlees eten en linnen
kleding dragen. Maar het gemeenschappelijke leven raakte allengs in
onbruik, en de kanunniken gingen wonen in particuliere huizen in de
nabijheid van de kerk, de zgn. "claustrale" huizen.
- Aan het hoofd van het
kapittel stond de proost (prepositus).
Hij had de zakelijke leiding over de gemeenschap. De deken was
belast met de geestelijke zorg. In de loop der eeuwen kwam de
feitelijke macht te liggen bij de deken. De proost, door de
stemgerechtigde kanunniken gekozen uit de kanunniken van het
kapittel van Sint-Lambert in Luik, verbleef immers meestal elders,
en was nauwelijks ter plekke om zijn autoriteit te doen gelden. Al
in 1273 was de positie van de proost zodanig uitgehold, dat hij
alleen nog maar het benoemingsrecht van de kanunniken overhield.
En dat benoemingsrechts moest hij al vanaf de 14e eeuw delen met de Paus, en na de
inname van Maastricht door Frederik Hendrik in 1632 met de Staten
Generaal, die het simpelweg verkochten aan de meest biedende.
- De deken werd door de kanunniken
voor het leven gekozen. Hij was belast met het dagelijks bestuur van
het kapittel, en met de zielzorg.
- Ook kozen de kanunniken uit
hun midden enkele functionarissen: de cantor (voorzanger), de scholaster (schoolmeester) en de thesaurarius (schatbewaarder). De cantor was verantwoordelijk voor de
liturgie en de zang. De scholaster was
belast met het geven van onderwijs in de kapittelschool, maar trad
ook op als secretaris van het kapittel. De thesaurarius bewaarde de
kerkschat en de paramenten.
- Aan het kapittel waren tot 1586 twintig prebenden
of kannuniksplaatsen verbonden. Daarmee was de Onze Lieve
Vrouw een kapittel van gemiddelde grootte. In 1586 werden twee prebendes
"wegbezuinigd", en 1596 nog een, en in 1772 nog een. Er
bleven er dus maar 16 over. Door de opheffing van het Antonietenklooster van Maastricht
in 1783, waarbij het vermogen van dat
klooster aan de Onze Lieve Vrouw werd verleend, konder er
weer drie prebendes bijkomen. Aan het einde van het Ancien Régime werd de waarde van een prebende
berekend op ongeveer 2.500 gulden.
- Het kapittel was een
onafhankelijke instelling, onttrokken aan geestelijk en wereldlijk
gezag. Het rechtsgebied van de kerk vormde dan ook een "immuniteit",
waar de wereldlijke macht geen toegang had. De kapittelimmuniteit
was een kerkelijke enclave. Zij omvatte de kerk, de kruisgang, het
kerkhof en de kloostersingel met de daaraan gelegen tien à elf
claustrale huizen. Binnen dit gebied had alleen het kapittel
bestuurs- en rechtsmacht. De prætor
claustri fungeerde
als "politieagent": hij moest de orde handhaven en kon eventueel
arrestaties verrichten.
- Wanneer een kannunik benoemd was,
werden zijn geloofsbrieven onderzocht. Wanneer hij aan de eisen
voldeed, kon hij worden geïnstalleerd. Die eisen waren onberispelijke
levenswandel, wettige geboorte en tonsuur (opname in de geestelijke
stand). Een minimum leeftijd gold aanvankelijk niet: kanunniken van
minder dan 18 jaar moesten wél de kapittelschool volgen. Om volwaardig
lid van het kapittel te zijn moest men geëmancipeerd zijn, een
academische graad bezitten of minstens tot subdiaken zijn gewijd.
Wanneer aan deze voorwaarden voldaan was, had met recht op de
voleldige inkomsten van een prebende. Na het Concilie van Trente
(1545-1563) werden de toelatingseisen strenger.
- De kanunniken waren niet
allen priester. Integendeel. De priesterwijding, met de daarbij
behorende belofte van het celibaat, schoven sommige kanunniken zo
ver mogelijk voor zich uit. In de 16e eeuw gold als regel: de zes naar
anciënniteit oudste kannuniken moesten priester zijn, de zes
daaropvolgende diaken, en de volgende zes subdiaken. Scholaster
Laurentius van Meer, ingetreden in 1538, kreeg het in 1572 aan de
stok met de nieuwe deken Thomas Schoboll, toen deze hem aanmaande om
zich, conform de regels van het kapittel, tot priester te laten
wijden. Laurentius van Meer verzette zich met hand en tand tegen een
eventuele priesterwijding, want hij woonde samen met een vriendin,
en samen hadden ze enkele kinderen. De onwil om de priester- of de
diakenwijding te ontvangen bleef tot het einde van de 17e eeuw een punt van frictie tussen de deken
en het kapittel.
-
- De taken van het kapittel
bestonden uit gebed, zielzorg, onderwijs en liefdadigheid.
De
liturgie nam een groot deel van de dag in beslag. De getijden waren
verdeeld over de hele dag. 's Nachts zong men de metten, gevolgd
door de lauden bij het begin van de dag. De kleine uren waren priem,
terts en sext in de ochtend, en noon en vespers na de middag. De dag
werd afgesloten met de completen. Iedere dag was er een hoogmis,
maar ook veel gestichte missen. Aangezien niet alle kanunniken
priester waren, en er veel missen gelezen moesten worden, nam men
enkele vicarissen of kapelanen is dienst. Bovendien hoefde de
kanunniken niet bij alle diensten aanwezig te zijn. In de 17e en 18e
eeuw kregen zij zelfs betaald: de zgn. presentiegelden.
-
-
-
-

-
Links
de Sint-Nicolaaskerk, rechts de Onze Lieve Vrouwekerk. Tekening van
Jan de Beijer, 1740
-
-
-
- Daarnaast waren de kanunniken belast met de
zielzorg van de parochie. Ook al was de Onze Lieve Vrouw een
kapittelkerk, zij was ook parochiekerk. In 1342 bouwden de
kapittelheren voor de parochie een eigen kerk, die zij onder het
patronaat stelden van de H. Nicolaas, en waarvan zij de plebaan benoemden, de Sint-Nicolaaskerk, op
de plek van het huidige Hotel Derlon en een gedeelte van het Onze
Lieve Vrouweplein. Na het Concilie van Trente, in 1622, werd van de
plebaan een academische vorming vereist.
- Het geven van onderwijs
heeft altijd tot de taken van het kapittel behoord. Naar aanleiding
van een incident dat in 1087 plaatsvond, spreekt de priester
Jocundus, in zijn levensbeschrijving van de H. Servatius, over "de
school van de roemrijke patroon [Sint Servaas], en niet alleen deze,
maar ook de andere, van de Heilige Maria [de Onze Lieve
Vrouwekerk]". De kapittelschool stond onder leiding van de scholaster. De scholieren werden ingezet
voor de opluistering van de liturgie, als lectoren, acolieten of
zangers, ook wel 'choralen' (in het Maastrichts: kräölkes) genoemd. Ze kregen enig Latijn en
zangles dat nodig was voor het zingen van de getijden. Het bekendste
kräolke van de Onze Lieve Vrouw is de
bekende musicus Henri du Mont (1610-1684), als 11-jarige toegelaten op
de kapittelschool, reeds in 1626 als musicus in vaste dienst benoemd,
en later carrière maakte als organist en componist aan het hof van
Lodewijk XIV in Parijs. Het schoollokaal van de Onze Lieve Vrouw
bevond zich in de vergaderzaal van de huidige pastorie.
-
- Een
begrafenisstoet loopt in de richting van de Onze Lieve
Vrouwekerk en de parochiekerk van Sint Nicolaas (links).
Tekening van K. Wilson.
|
- Tenslotte
behartigden de kanunniken ook de christelijke caritas. Aan het
kapittel waren drie gasthuizen verbonden: het hospitaal van
Sint-Gillis in de Hoogbrugstraat in Wyck, het gasthuis van de H.
Agatha in de Tafelstraat, en het gasthuis van de H. Maria in de
Cortenstraat. Deze gasthuizen waren specifiek gericht op de armenzorg.
Uiteindelijk bleef daar alleen maar het Sint-Gillisgasthuis van over.
-
-
 |
Plattegrond van de Onze Lieve Vrouwekerk
te Maastricht tot de Franse tijd - 1.
Hoofdaltaar – 2. Koorbanken – 3 Altaar van de H. Maria – 4. Koor
van de H. Agnes – 5. Koor van de H. Cecilia – 6. Martinuskapel –
7. Stefanuskapel – 8. Annakapel – 9. Kapittelzaal – 10.
Merodekapel – 11. Kapel van de H. Barbara
|
-
Rond 1360 stonden er in de Onze Lieve Vrouwekerk meer dan 30 altaren.
De meeste waren gesticht door particulieren, die er dan ook de
nodige inkomsten aan verbonden hadden. Met deze inkomsten werden
priesters onderhouden, die dan als verplichting hadden missen te lezen. Een
dergelijk inkomen heette een "beneficie". Voor het lezen van al deze missen
had het kapittel kapelanen in dienst. In 1364 werd een broederschap
van de kapelanen opgericht. Daarmee vormden de kapelanen
een afzonderlijke corporatie binnen de Onze Lieve Vrouw, maar wel van
beduidend mindere rang. De kapelanen waren niet toegelaten tot
de kapittelvergaderingen en hadden ook geen stemrecht. Daarentegen
werd van hen wel verwacht dat zij deelnamen aan het getijdengebed
op het hoogkoor. Dat deden zij des te graag omdat de presentiegelden
die zij ervoor kregen een welkome aanvulling boden op hun schamele
salaris. De kapelanen werden overladen met liturgische verplichtingen,
en kregen er slecht voor betaald, terwijl de kanunniken zich er zoveel
mogelijk aan onttrokken, maar er goed voor betaald kregen. De
broederschap der kapelanen werd in de jaren 1621-1622 door deken
Petrus Lindanus in de geest van het Concilie van Trente hervormd. Het aantal
beneficies werd teruggebracht van ongeveer 50 tot 33, en de
corporatie werd omgevormd tot de broederschap van de kleine
kanunniken van de H. Anna, van 20 leden, die ieder een prebende uit
het nieuw gevormde vermogen verkregen. De beneficianten echter, wier
beneficies niet waren opgenomen in de hervorming van 1621-1622
bleven bestaan en aan hun verplichtingen voldoen. Hun inkomsten
verminderden echter, en zij vormden gedurende de 17e en de 18e eeuw de laagste geleding van de
geestelijken die aan de Onze Lieve Vrouw verbonden waren.
-
-
-
- De Tenhemelopneming van
Maria
-
-
- In de
loop van twintig eeuwen theologische reflectie, op grond van het Heilige
Schrift, heeft zich in de Kerk de overtuiging gevormd dat de Heilige
Maagd Maria, na haar aardse bestaan, vanuit haar bijzondere band met
haar Zoon Jezus, en als eerste van de heiligen van de Kerk,
opgenomen is in de hemelse glorie. Wij noemen dit geloofspunt de
Tenhemelopneming van Maria (Assumptio).
Deze overtuiging, die zowel in de liturgie, in de volksdevotie
als in de theologische reflectie geleefd heeft, zowel in de
Oosterse als in de Westerse kerk, werd op 1 november 1950 door paus
Pius XII, in de bulla dogmatica Munificentissimus Deus tot dogma uitgeroepen.
Onmiddellijk daarna schonken de parochianen van de Onze Lieve
Vrouwekerk aan onze kerk het middelste glas-in-loodraam van de
kooromgang. Daaraan herinnert het opschrift, in de linker benedenhoek
van het raam: "Pronuntiati Assumptionis Beatæ Virginis Mariæ dogmatis
memores basilicæ parochiani dono dederunt" (geschenk van de
parochianen van de Basiliek ter herinnering aan de uitroeping als
dogma van de Tenhemelopneming van de Heilige Maagd Maria). Op het raam
is te zien hoe Maria door twee engelen vanuit haar sterfbed ten hemel
wordt gedragen. Het raam is in 1952 vervaardigd door Daan Wildschut.
-
Het is niet duidelijk sinds wanneer de
Onze Lieve Vrouwekerk het patrocinium van de Tenhemelopneming
heeft. Het oudste bewijs is het grote schilderij van het hoofdaltaar, uit
1701, dat de Tenhemelopneming van Maria voorstelt. Dit
schilderij bevindt zich momenteel in de basiliek van Meerssen.
-
-
- Militaire smederij
-
-
-
-
Op 4 november 1794 werd de stad
Maastricht door de Franse generaal Kléber ingenomen, en per 1 oktober
1795 werd heel de regio geannexeerd door de Franse Republiek en
ingedeeld bij het departement Meuse-Inférieure (Nedermaas). In 1795
werd de Onze Lieve Vrouwekerk door de Fransen in beslag genomen, en
ingericht als paardenstal, opslagplaats voor graan, hospitaal en
militaire smederij. Het kapittel werd verdrongen naar de kruisgang.
- De eed van
trouw aan de Franse Republiek werd door 11 van de 18 kanunniken
afgelegd, en door 11 van de 15 kanunniken van Sint-Anna, waaronder de
pastoor van de Sint-Nicolaas, waardoor deze kerk geopend kon blijven
voor de eredienst en de zielzorg.
- In 1797-1798
ontbond de Franse staat alle geestelijke instellingen en nam alle
kerkelijke goederen in beslag. Daarmee kwam een einde aan het kapittel
van Onze Lieve Vrouw. Ook in de "Nederlandse" tijd, tot 1837 (!),
bleef de kerk in gebruik als militaire smederij.
-
-
- Parochiekerk
-
- De Onze Lieve
Vrouwekerk, naar een litho van Alexander Schaepkens, ca.
1850
-
-
- De
Onze Lieve Vrouwekerk was van oorsprong zowel kapittel- als
parochiekerk. Sinds de 14e eeuw maakte de parochie gebruik van de
naast de Onze Lieve Vrouw gebouwde Sint Nicolaaskerk. Toen de parochie
in 1837 de oude kapittelkerk weer terugkreeg, werd de Nicolaaskerk
afgebroken, en nam de parochie haar intrek in de Onze Lieve
Vrouwekerk.
-
Het genadebeeld van de Sterre der Zee,
van oorsprong een Franciscanen-devotie, in 1804 door de Franciscanen
toevertrouwd aan de pastoor van de Sint-Nicolaaskerk, de toenmalige
parochiekerk van de Onze Lieve Vrouw, verhuisde in 1837 mee van
de Sint-Nicolaaskerk naar de Onze Lieve Vrouw, en werd in 1903 geplaatst
in de Merode-kapel. Rondom dit beeld voltrekt zich tot op de dag van
vandaag een zeer bloeiende Maria-devotie.
-
- Basiliek
-
-
-
- Op 20 februari 1933
werd de Onze Lieve Vrouwekerk door paus Pius XI tot basilica minor verheven. "Basiliek" is een
eretitel die door de paus aan bepaalde belangrijke kerken gegeven
kan worden. Een basiliek is herkenbaar aan de twee eretekenen die op
het priesterkoor staan: het tintinnabulum (een staf met een klokje) en
het conopeum (oneerbiedig gezegd een soort
parasol).
- De stad
Maastricht telt nu twee basilieken: de Onze Lieve Vrouw
Tenhemelopneming (sinds 1933) en de Sint Servaas (sinds
1985).
-
- De
klokkenroof (1943)
-
-
Ook al had de
stad Maastricht in de Tweede Wereldoorlog minder te lijden gehad dan
andere steden, toch waren er vele doden te betreuren bij bombardementen,
en bedreef het Duitse leger ook hier oorlogsmisdaden. De Onze Lieve
Vrouwekerk werd nauwelijks door oorlogsgeweld beschadigd. Wel werden op
31 maart 1943 de vier luidklokken van de kerk gedemonteerd, en vanaf de
toren op het plein gegooid, om in Duitsland te worden omgesmolten tot
oorlogstuig. De afgevoerde klokken waren Maria (1500 kg), Jozef (1200
kg), Lambertus (800 kg) en Gabriël (600 kg). De klankverhouding was
do-mi-sol-do. Op de muren van de stad verschenen inscripties als: "Wie met deze
klokken schiet, wint de oorlog
niet".
-
Dhr. J. Daniëls,
fotograaf in de Kleine Staat, maakte vanuit een zolderraam van het
tegenover de kerk gelegen bankgebouw in het grootste geheim foto's van
het afwerpen en afvoeren van de klokken. Deze foto's werden slechts in
zeer kleine kring
verspreid (collectie Lam Daenen).
-
-
-
-
|