Onze Lieve Vrouw van Maastricht
7 eeuwen kapittelarchief ontsloten



Op 1 november 1999 vond in de Basiliek van Onze Lieve Vrouw 'Sterre der Zee' in Maastricht de aanbieding plaats van de inventaris van de archieven van het kapittel van Onze Lieve Vrouw van Maastricht, 1096-1797, na 7½ jaar van noeste arbeid met succes beëindigd door dr. J.A.K. Haas, van het Rijksarchief in Limburg.
    Het eerste exemplaar van deze in druk uitgegeven inventaris werd aangeboden aan mgr. F.J.M. Wiertz, bisschop van Roermond, die speciaal voor deze gelegenheid naar Maastricht was gekomen. De andere eerste exemplaren werden aangeboden aan drs. R.R.B.M. Wagenaar, pastoor van de basiliek van Onze Lieve Vrouw 'Sterre der Zee', als rechtsopvolger van de deken van het voormalige kapittel, en aan dhr. J. Goessen, als schatbewaarder van de Onze Lieve Vrouwebasiliek, en lid van het kerkbestuur. Het kerkbestuur is immers eigenaar van een gedeelte van de archiefbestanden van het voormalig kapittel.
 
aanbbis.jpg (5426 bytes)
Aanbieding van het eerste exemplaar aan mgr. Frans Wiertz (foto Rijksarchief in Limburg; H.L. Mordang).
De plechtigheid werd opgeluisterd met muziek van Henri du Mont (1610-1684). Deze musicus begon in 1621 als elfjarig jongentje met een stipendium van het kapittel aan de kapittelschool van Onze Lieve Vrouw, als kräölke, het Maastrichtse woord voor jonge koorzanger of koraal. Reeds in 1626 werd hij als musicus in vaste dienst benoemd. Daarna maakte hij carrière als organist en componist te Parijs, aan het hof van koning Lodewijk XIV. Mirjam Schreur, sopraan, student aan het Conservatorium van Maastricht, zong enkele Cantiques Spirituels uit 1673, van deze Waals-Maastrichts-Franse componist. Zij werd aan het koororgel begeleid door Hans Heykers, organist van de Basiliek van Onze Lieve Vrouw.
    Na afloop werd in de gotische kruisgang van de basiliek het glas geheven op het succes van de inventaris, die de geschiedenis van één van de twee belangrijke kapittels van de stad Maastricht voor onderzoek toegankelijk maakt.

aanbgoes.jpg (6128 bytes)
Aanbieding van het eerste exemplaar aan dhr. J. Goessen, schatbewaarder, onder het toeziend oog van drs. R. Wagenaar, pastoor van de Onze Lieve Vrouwebasiliek (foto Rijksarchief in Limburg; H.L. Mordang).

Oudste stuk
Het oudste stuk uit het archief van het kapittel van Onze Lieve Vrouw van Maastricht, uit het jaar 1096, begint met de volgende overweging: "Omdat wij allen, mensenzonen, maar kort leven, in de ochtend als gras voorbijgaan, - 's ochtends bloeien wij en vergaan wij, en 's avonds vallen wij, worden wij hard en droog -, daarom moeten wij hetgeen wij nuttigerwijze zeggen en doen, toevertrouwen aan het schrift, en bevestigen met het gezag van de eeuwige en eeuwigdurende God, opdat de billijkheid blijve, en de waarheid voor de mensen die komen eeuwig bewaard blijve".
    Natuurlijk is het toevallig dat het oudste stuk uit dit archief precies met deze zin begint. Maar het lijkt wel programmatisch! Het is net alsof heel het archieffonds van het kapittel van Onze Lieve Vrouw van Maastricht, dat zeven eeuwen omvat, vanaf deze oorkonde en vanuit deze gedachte gevormd is: omdat wij, mensen, maar kort leven, moeten wij hetgeen wij zeggen en doen aan het schrift toevertrouwen. Zo blijft de waarheid bewaard.
    Overigens is de betreffende oorkonde een zeer interessant stuk. Het is uit 1096. Paus Urbanus II heeft dan net de Westerse christenheid opgeroepen tot de Eerste Kruistocht, en veel edelen voelen zich geroepen om deel te nemen aan de expeditie die het Heilig Land op de Turken moet gaan veroveren. Ook Godfried van Bouillon gaat mee. Om zijn legermacht te kunnen betalen heeft hij echter geld nodig, en hij besluit dan om enkele van zijn goederen te gelde te maken. Hij verkoopt dan de burcht van Bouillon aan Otbert, de toenmalige bisschop van Luik. Maar deze had ook niet zoveel geld in kas, en moest op zijn beurt goederen verkopen, om Godfried van Bouillon te kunnen betalen. Bisschop Otbert verkoopt dan twee molens op de Jeker, binnen de stad Maastricht, die zijn eigendom waren, aan het kapittel van Onze Lieve Vrouw. Een latere legende wijst als één van die molens de huidige nog bestaande "Bisschopsmolen" aan. Maar dit is slechts een latere legende.
    Iedereen weet hoe het Godfried van Bouillon verder vergaan is.
De oorkonde van 1096

1096.jpg (34653 bytes)
foto H.L. Mordang


Vertaling van de tekst van de oorkonde
In de naam van de Heer, onze God, die van eeuwigheid en tot in de eeuwigheid is, en blijft van geslacht tot geslacht.
Ik, Obertus, bisschop van Luik, aan alle tegenwoordige en toekomstige gelovigen van deze zetel.
Omdat wij allen, mensenzonen, maar kort leven, in de ochtend als gras voorbijgaan, 's ochtends bloeien wij en vergaan wij, en 's avonds vallen wij, worden wij hard en droog, daarom moeten wij hetgeen wij nuttigerwijze zeggen en doen, toevertrouwen aan het schrift, en bevestigen met het gezag van de eeuwige en eeuwigdurende God, opdat de billijkheid blijve, en de waarheid voor de mensen die komen eeuwig bewaard blijve.
Daarom moet het u bekend zijn, dat ik, tot nut van de kerk, om de draagkracht en de inkomsten van dit land te behouden, de burcht van Bouillon en andere goederen van waaruit de zeer edele hertog Godfried en andere groten naar Jeruzalem vertrokken zijn, gekocht heb, waardoor ik mij sindsdien en daardoor tot grote zorgen en tot grote schulden verbonden heb, dat ik, zoals ik andere goederen heb gegeven, overgenomen of geruild, zo ook in wettige overdracht twee molens gelegen in die stad op de rivier de Jeker, heb overgedragen aan de Heilige Maria te Maastricht, door de hand van de voogd Wilhelmus, met goedkeuring van proost Steppo en van alle broeders van die plaats, opdat zij daartoe de 50 zilvermarken die vanwege de overdracht in borgstelling voor een landgoedje bij Houthem vóór Valkenburg hebben betaald aan Engerannus van Horpmaal of aan zijn schoonzoon Boso van Barse, afstaan aan Gozuinus van Hinneberg. Tussen hem en de genoemde Boso is immers overeengekomen dat, als hij, Gozuinus, die borgstelling aflost, hij het goed in volle eigendom zal bezitten. Voor het gemeenschappelijke nut zal ik echter voor diezelfde Gozuinus de schuldenaar zijn, en ter aflossing van die 50 marken heb ik daarom de genoemde molens aan de Heilige Maria overgedragen.
Opdat niets door onze opvolgers door kracht of geweld vernietigd of verbroken kan worden, heb ik dit bekrachtigd met de bevestiging van ons tegenwoordig zegel en met de dreiging van excommunicatie, opdat degene die dit waagt te verbreken anathema maranata, geëxcommuniceerd zij.
Gedaan te Luik, in het jaar van de Menswording van de Heer 1096, vierde indictie, tijdens de regering van Keizer Hendrik IV, in het 41e jaar van zijn regering, en in het 5e jaar van mijn episcopaat.
Dit zijn degenen die als getuigen aanwezig waren: de broeders Steppo, deken, Gozelo, Froricus, Adelo, Tegano, Andreas, Reinerus, Hillinus, Bernardus, Winricus, Tegenradus, Reinerus; de vrije mannen Wilhelmus, voogd, Gozuinus, Gerardus, Gozemarus, Arnosus, Gislebertus, Vulbertus, Sigerus, Tiebaldus; de burgers Imezo, Fulquinus, Barun, Heinricus, Azo, Theodericus, Walterus, Adelgodus, Alesteinus, Cuno, Heinricus, Franco, Arnufus, Winricus, Bernolfus, Lifridus, Tammo, Bruno, Bertolfus, Udescalcus.
 
RAL, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw Maastricht, inv.nr. 640.