De ramen van de bovengalerij van de kooromgang
In 1988-1989 vervaardigde Daan Wildschut zeven ramen voor de bovengalerij van de kooromgang.

ramen-boven-daan-wildschut

Op het middelste raam beeldde hij het Lam af (naar het boek van de Openbaring), staande op een waterbron die uit de Tempelberg ontspruit (thematiek van de profeet Ezechiël)en vandaar langs alle ramen, links en rechts, wegvloeit. Het is alsof het water van het ene raam in het andere overvloeit.

De iconografie van de ramen is doorweven met een groot aantal Bijbelse motieven, alle in verband met de vruchtbaarheid van waterstromen.

Gelukkig de man die niet treedt in het overleg van de bozen. Als een boom is hij, wortelend waar water stroomt, die vrucht draagt in het seizoen, zijn gebladerte zal niet verdorren (Psalm 1,1.3) De vogelen des hemels, de vissen der zee ... Heer, onze God, hoe vol macht is Uw Naam ...  (Psalm 8,9-10).

Aan de oevers van de rivier zullen allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan de bladeren niet zullen verwelken en de vruchten niet zullen opraken. Elke maand zullen ze vrucht dragen. Het water stroomt immers uit het heiligdom. De vruchten zullen eetbaar zijn en de bladeren geneeskrachtig (Ezechiël 47,12). Komt allen die dorst hebt, hier is water ! (Jesaja 55,1)

Gelijk het hert dat reikt naar waar het water stroomt, zó in verlangen reikt mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel lijdt dorst naar God, naar God die leven is (Psalm 42,2-3)


 

 

 

Toen toonde mij de engel de rivier met het water des levens, helder als kristal, die ontwelde aan de troon van God en van het Lam. Zij liep midden door de straat van de stad, en op haar oevers, aan weerszijden, stond het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht draagt, elke maand eens (Openbaring 22,1-2).

Toen bracht de man mij terug naar de ingang van de tempel. Daar zag ik water onder de drempel van de tempel vandaan komen. In het water zal het er wemelen van levende wezens,  overal waar de rivier stroomt komt leven, er zal vis zijn in overvloed (Ezechiël 47,1.9). Al de waterlopen van Juda zullen een overvloed van water hebben, want uit de Tempel van de Heer zal een bron ontspringen (Joël 4,18).

Noach liet toen opnieuw een duif uit de ark los. Toen de duif tegen de avond bij hem terugkwam, droeg zij een groen olijfblad in de bek. Toen begreep Noach dat het water van de aarde weggezakt moest zijn (Genesis 8,10-11). Wie dorst heeft, kome ! Wie wil, neme het water des levens, om niet ! (Openbaring 22,17).

God sprak: ‘Het water moet wemelen van dieren, en boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf’ (Genesis 20,1).