De crypte 

Over de Onze Lieve Vrouwekerk in haar vroegste periode is niets met zekerheid bekend. Wij beschikken slechts over een hergebruikt bouwfragment van de kerk van Glons (= Glaaien), wellicht afkomstig van de Onze Lieve Vrouwekerk van Maastricht, waarop een datum vermeld staat, die overeenkomt met de oude datum van de kerkwijding van de Maastrichtse Onze Lieve Vrouwekerk, namelijk 30 september.

Daarnaast is er een immuniteitsoorkonde, door koning Clovis IV (690/691-694/695) aan bisschop Lambertus verleend, ten bate van de kerk van de Heilige Maria in Maastricht, een tekst waarvan het origineel verloren is gegaan, maar die in het midden van de twaalfde eeuw wordt geciteerd door de Luikse kanunnik Nicolaas. Deze tekst wordt door de historici als echt beschouwd. Nicolaas vertelt ons dat hij die oorkonde die de bisschopszetel van Lambertus in Maastricht vermeldde, onder ogen heeft gehad: “Hoezeer koning Clovis de heilige Lambertus achtte en respecteerde, blijkt duidelijk wanneer die vredelievende koning hem niet alleen bisschop, maar ook vader en apostolisch man noemt, in de oorkonde die hij uitgaf op verzoek van die heilige bisschop, ten gunste van de immuniteit en de bezittingen van de Kerk van de Heilige Maria altijd Maagd. In haar naam en ter ere van haar was indertijd in Maastricht, na Tongeren, de bisschoppelijke waardigheid gevestigd. Die oorkonde wordt nog tot op de dag van vandaag bij ons bewaard”.

Daarna komt de eerste historische tekst die we over de Onze Lieve Vrouwekerk hebben uit de Kroniek van de bisschoppen van Kamerijk. Daarin wordt verteld dat in 1018 de crypte van de Onze Lieve Vrouwekerk, die pas gebouwd was, en waarop al een altaar stond (dat betekent dat men de kerk aan het herbouwen was), is ingestort: « 19. Er was een plek, onbewoonbaar vanwege bossen en moerassen, die door de bewoners Mereweda werd genoemd, waar namelijk de Maas en de Waal, de rivier die stroomt vanuit de Rijn, samenvloeien. Tevoren woonde daar niemand, behalve jagers en vissers. Het gebied was gezamenlijk bezit van de bisschoppen van Trier en Keulen, en ook van enkele abten, ten behoeve van visvangst en jacht. Hier vestigde zich Diederik (III van Holland = Westfriedland), zoon van Arnulf van Gent, die het gebruiksrecht van het vorstendom van de Friezen bezat (= West-Friesland, lees Holland). Nadat hij er een versterking had gemaakt, meende hij als bezetter dat gebied in bezit kunnen te nemen, en ook handelaars die daar langsvoeren, tot een zware tolheffing te dwingen. Toen dan ook Keizer Hendrik, aangespoord door een aanklacht, vooral die van bisschop Adalbold (II van Utrecht), aan wie hij het grootste deel van dat gemeenschappelijk bezit had overgedragen, tot een veldtocht gedwongen was, gaf hij bevel aan hertog Godfried (I van Neder-Lotharingen = Godfried van Verdun) en ook aan de bisschoppen van Keulen, Utrecht en Luik, een leger bijeen te brengen. Toen dezen zich volgens de koninklijke opdracht op weg begaven, gebeurde er onderweg iets wonderbaarlijks, dat ik niet mag verzwijgen. Bisschop Balderik (II, bisschop van Luik) had immers in de stad Maastricht in het klooster van de H. Maria een crypte gebouwd, waarop reeds een altaar was geplaatst. Toen hij op die dag na het gebed wegging, en in de boot moest gaan, om met zijn leger weg te gaan, wonderbaarlijk, werd door het instorten van het altaar het hele bouwwerk verwoest. Velen beschouwden dat dan ook als een kwaad voorteken, ofwel algemeen ofwel persoonlijk voor de bisschop, zoals kort daarna ook zou blijken. Toen hij immers met de anderen de reis had hervat, werd hij spoedig door ziekte verhinderd, en verbleef hij in het dorp dat Heerewaarden genoemd wordt (Heerewaarden, gemeente Maasdriel). De anderen echter, die met een ontelbare menigte waren, vielen toen Diederik aan, die maar met weinig Friezen (= Hollanders) was, vielen aan, in de vaste mening dat ze zouden overwinnen. Wie immers zou twijfelen aan de overmacht van een zo dapper leger, vooral omdat zij in oorlogstraining en militaire discipline de meerdere waren, en steunden op het verlangen de keizer te behagen. Toen zij echter de strijd aangingen, riep plotseling zomaar iemand, geplaagd door een duivelse ingeving, tot tweemaal toe angstaanjagend : « Vluchten ! Vluchten ! » De Lotharingers, daardoor verschrikt, we weten niet door welk verborgen Godsoordeel, sloegen allen op de vlucht. Welk een talrijke en jammerlijke slachtpartij plaatsvond, is in dit verband niet uit te leggen. Geteisterd, niet zozeer door door het ijzer van de vijanden, als door de angst, vluchtten ze in groten getale, en kwamen tussen de boten door schipbreuk om, zoals duidelijk geschreven staat : « dat één man duizend, en twee mannen tienduizend op de vlucht doen slaan » (Deut. 32,30). Hoewel hertog Godfried van alle kanten omsingeld was, meende hij toch dat het schaamtevol was om te vluchten, en stortte zich alleen in de strijd, terwijl zijn makkers vluchtten, en na hen die hij tegenover zich had gedood te hebben, werd hij, van de zijkant ingesloten, toch gevangen genomen, en gewond. Diederik, die toch bevreesd was een zo aanzienlijk man in gevangenschap te houden, stond hem toe, met het oog op zijn vermetelheid, te vertrekken, om voor zichzelf de gunst van de keizer te verdienen. Op diezelfde dag, en zoals velen vermoeden, op hetzelfde uur als de strijd geleverd werd, overleed bisschop Balderik in voornoemde stad, en werd naar Luik gevaren om er begraven te worden.

Volgens het Chronicon van Thietmar van Merseburg, kroniekschrijver en bisschop, vond de slag plaats op 29 juli 1018, en overleed Balderik in Tiel. En volgens de kroniek De diversitate temporum van Alpertus van Metz (Alpertus Mettensis), vond de slag plaats bij Vlaardingen.

Hoewel we tot het jaar 1000 over de geschiedenis van de Onze Lieve Vrouwekerk maar twee historische teksten hebben, kunnen we met zekerheid zeggen dat het de oude bisschopskerk was. We weten immers dat er in Maastricht na Sint Servaas nog een tiental historisch gedocumenteerde bisschoppen zijn geweest, en ook weten we zeker dat de bisschopskerk binnen het romeinse castrum moet hebben gestaan, zoals dat in heel het Romeinse rijk het geval was. Het castrum is, dank zij de opgravingen sinds een eeuw in het Stokstraatkwartier, nu goed bekend. Daaruit blijkt dat de huidige oostcrypte naar alle waarschijnlijkheid staat op de plaats van de oude kerk van de bisschoppen van Maastricht, en dat de huidige westcrypte ligt op de plaats van de oude gracht (vandaar wellicht de vochtigheid ?). In de buitenkant van de huidige toren, aan het Onze Lieve Vrouweplein, zijn nog stenen zichtbaar die afkomstig zijn van het romeinse castrum, dat klaarblijkelijk tot in de Middeleeuwen overeind heeft gestaan.

 

Meer lezen? Dan kan :

–    Régis de la Haye, Titus Panhuysen, « Maastricht », in: Topographie Chrétienne des cités de la Gaule des origines au milieu du VIIIe siècle. XII. Province ecclésiastique de Cologne (Germania Secunda) (Paris 2002 = ISBN 2-7018-0155-9), p. 91-115.

–    Régis de la Haye, Onze-Lieve-Vrouwekerk. Deel I. De kerk en de mensen, Maastricht 2005 = Maastrichts Silhouet, 62 = ISBN 90-5842-023-X, 52 blz.

–    Régis de la Haye, « Een lange voorgeschiedenis langs de Maas”, in: Bisdom langs de Maas. Geschiedenis van de kerk in Limburg (Maastricht 2009), p. 23-98.